200105856/1.
Datum uitspraak: 26 februari 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A], wonend in [land], en [appellant B], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Den Haag van 15 oktober 2001 in het geding tussen:
de Minister van Buitenlandse Zaken.
Bij besluiten van 7 mei 1999 is namens de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) geweigerd een door appellanten ter legalisatie aangeboden uittreksel uit het geboorteregister (hierna: geboortebewijs) en ongehuwdverklaring van [appellant A] alsmede een huwelijksakte te legaliseren.
Bij besluit van 21 oktober 1999 heeft de minister het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 augustus 2000 heeft de arrondissementsrechtbank te Den Haag (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak.
Bij besluit van 20 december 2000 heeft de minister het door appellanten gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 15 oktober 2001, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 15 februari 2002 heeft de minister van antwoord gediend. Daarbij heeft hij op de voet van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verzocht te bepalen dat appellanten geen kennis kunnen nemen van stukken of onderdelen daarvan, die betrekking hebben op het door de Nederlandse ambassade in [land] verrichte verificatieonderzoek. Op 7 november 2002 heeft de Afdeling in andere samenstelling beslist dat de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Bij brief van 9 november 2002 hebben appellanten toestemming, als bedoeld in het vijfde lid van artikel 8:29 van de Awb, verleend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2003, waar [appellant B], bijgestaan door mr. L. van Dijk, advocaat te Den Haag, en de minister, vertegenwoordigd door mr. E.B. Schluter, ambtenaar van het ministerie, zijn verschenen.
2.1. Legalisatie van het geboortebewijs is geweigerd, omdat met betrekking tot ter legalisatie overgelegde documenten uit [land] volgens het terzake gevoerde beleid wordt uitgegaan van twijfel aan de juistheid van de inhoud van die documenten en die twijfel niet door middel van objectieve bronnen is weggenomen.
2.2. Het betoog van appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat aan de ouderdom van de registratie in het geboorteregister zelfstandige betekenis toekomt, faalt. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat het geboortebewijs slechts kan worden gelegaliseerd nadat het op basis van objectieve bronnen inhoudelijk juist is bevonden.
2.3. Het beroep van appellanten op het gelijkheidsbeginsel faalt evenzeer. In het door hen aangehaalde geval had de registratie in het geboorteregister zes jaar en niet, zoals hier het geval, pas vijftien jaar na de geboorte plaatsgevonden. Reeds hierom is geen sprake van gelijke gevallen.
2.4. Legalisatie van de ongehuwdverklaring en de huwelijksakte is geweigerd, omdat volgens het terzake gevoerde beleid documenten betreffende de burgerlijke staat van personen pas worden gelegaliseerd indien de daarin vermelde persoonsgegevens aan de hand van een na verificatie in orde bevonden geboortebewijs kunnen worden vastgesteld.
2.4.1. De Afdeling heeft eerder overwogen (uitspraak van 24 april 2001 in zaak nr. 200005554/1, ter voorlichting van partijen aangehecht), dat het zogenoemde koppelingsbeleid, dat, naar ter zitting uiteengezet, is gewijzigd in dier voege dat legalisatie van het geboortebewijs zelf na verificatie niet langer nodig is, zodat daarvoor geen leges meer verschuldigd zijn, niet kennelijk onredelijk of anderszins rechtens onjuist is.
Het betoog van appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat de minister hun in strijd met artikel 4:5 van de Awb niet de gelegenheid heeft geboden de aanvraag om legalisatie van de huwelijksakte aan te vullen met het geboortebewijs van [appellant B], faalt.
In voormeld artikel 4:5, eerste lid, voorzover hier van belang, is bepaald dat een aanvrager, indien blijkt dat de bij de aanvraag verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling daarvan of voor de voorbereiding van de beschikking, in de gelegenheid dient te worden gesteld de aanvraag aan te vullen. Toepassing van voormeld artikel is aan de orde indien bij een aanvraag gegevens en bescheiden ontbreken die noodzakelijk zijn voor het nemen van een beslissing op die aanvraag.
Zoals hiervoor is overwogen, is voor de juistheid van de inhoud van de geboorteakte van [appellant A] geen bevestiging gevonden in onafhankelijke bronnen. Nu het aan deze geboorteakte klevende gebrek ook de huwelijksakte treft, heeft de minister zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het overleggen van de geboorteakte van [appellant B] niet noodzakelijk was voor de behandeling en beoordeling van de aanvraag om legalisatie van de huwelijksakte.
Het betoog van appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat de beslissing op bezwaar niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen omdat de minister niet in overeenstemming met paragraaf 5.3, onder 2, van de Instructie over legalisatie van het geboortebewijs van [appellant B] heeft beslist, faalt reeds omdat een situatie als bedoeld in voornoemde paragraaf zich in het onderhavige geval niet voordoet.
In hetgeen appellanten verder hebben aangevoerd kan evenmin grond worden gevonden voor een ander oordeel, dan waartoe de rechtbank is gekomen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de minister niet aan het door hem gevoerde beleid heeft mogen vasthouden en de weigering om de aangeboden documenten te legaliseren niet op de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen heeft mogen handhaven.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Beurmanjer-de Lange, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Wagtendonk w.g. Beurmanjer-de Lange
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2003