ECLI:NL:RVS:2003:AF5138
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- M. Oosting
- B.J. van Ettekoven
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vergunning milieu vanwege ontoereikende geur- en geluidvoorschriften
Bij besluit van 9 november 2001 verleende het college van gedeputeerde staten van Fryslân een revisievergunning aan Atoglas B.V. voor de vervaardiging van kunststofhalffabrikaten. De Stichting Friese Milieu Federatie, enkele inwoners en Atoglas B.V. stelden beroep in tegen dit besluit. De Raad van State behandelde het beroep op 3 december 2002 en deed uitspraak op 5 maart 2003.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het beroep van enkele appellanten niet-ontvankelijk was voor een deel van de klachten. De Raad ging inhoudelijk in op diverse milieukundige aspecten, waaronder opslag van methylmethacrylaat (MMA), emissies, geurhinder, en geluidbelasting. De Raad stelde vast dat de vergunninghouder voldoende maatregelen had getroffen voor opslag en emissiebeperking van MMA en dat het calamiteitenplan adequaat was.
Wel oordeelde de Raad dat het criterium in voorschrift 3.1.1 over onaanvaardbare geurhinder onduidelijk was en tot rechtsonzekerheid kon leiden, waardoor dit voorschrift werd vernietigd. Ook was de motivering voor het toestaan van hogere equivalente geluidgrenswaarden dan het referentieniveau onvoldoende. Daarom werden voorschriften 3.1.1, 4.1.1 en 4.1.2 vernietigd. De Raad droeg het college op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit van gedeputeerde staten van Fryslân wordt deels vernietigd vanwege onvoldoende motivering van geur- en geluidvoorschriften.