AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging weigering inzage rapport op grond van Wet openbaarheid van bestuur
Appellant verzocht om inzage in een rapport dat door de interim-manager van de unit gratie was opgesteld. De Minister van Justitie weigerde inzage te verlenen en handhaafde dit besluit in bezwaar. Appellant stelde dat de brieven waarin de beslissing werd uitgesteld, als besluiten in de zin van de Awb moesten worden beschouwd en dat hij recht had op inzage op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van de minister deels gegrond en vernietigde het besluit voor zover het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard. Het hoger beroep bij de Raad van State richtte zich tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de eerdere brieven van de minister geen besluiten waren, maar slechts mededelingen van uitstel, en dat het besluit van 31 mei 2000 terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde. Ook bevestigde de Afdeling dat tegen de weigering tot inzage bezwaar openstaat en dat de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaarde.
Uiteindelijk verklaarde de Afdeling het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, zonder aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
200200055/1.
Datum uitspraak: 5 maart 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
appellant, wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 10 december 2001 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister van Justitie.
1. Procesverloop
Bij brief van 26 mei 1998 heeft de Minister van Justitie (hierna: de minister) zijn besluit van 13 november 1997, strekkende tot tijdelijke overplaatsing van appellant van de unit gratie naar de unit naamswijziging van het Ministerie van Justitie, in bezwaar gehandhaafd. Appellant heeft hiertegen beroep bij de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) ingesteld.
Bij brief van 6 november 1998 - voorzover hier van belang - heeft appellant de minister verzocht om inzage te verstrekken in een rapport, dat begin 1997 door de interim manager van de unit gratie zou zijn opgesteld en een oordeel zou bevatten over het functioneren van deze unit.
In reactie hierop heeft de minister bij brief van 15 december 1998 appellant meegedeeld eerst de uitkomst van het beroep tegen het besluit van 26 mei 1998 te willen afwachten.
Daartegen heeft appellant bij brief van 22 januari 1999 een bezwaarschrift ingediend. Bij brief van 6 juli 1999 heeft appellant de gronden van het bezwaar aangevuld.
Bij brief van 22 juli 1999 heeft de minister andermaal meegedeeld eerst de lopende procedures te willen afwachten.
Appellant heeft bij brief van 6 augustus 1999 tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift van 22 januari 1999 beroep bij de rechtbank ingesteld.
Bij uitspraak van 5 november 1999 heeft de rechtbank onder toepassing van artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) het beroep ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de brieven van 15 december 1998 en 22 juli 1999 geen besluiten in de zin van artikel 1:3 vanPro de Awb zijn.
Het daartegen ingestelde verzet is bij uitspraak van 1 maart 2000 ongegrond verklaard.
Bij besluit van 31 mei 2000 - voorzover hier van belang - heeft de minister naar aanleiding van het bezwaarschrift van 22 januari 1999 en het aanvullend bezwaarschrift van 6 juli 1999 meegedeeld zijn - naar de minister stelt - besluit van 15 december 1998, waarbij is geweigerd om inzage te verstrekken in eerdergenoemd rapport, gelet op het bepaalde in artikel 11 vanPro de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) te handhaven.
Bij uitspraak van 10 december 2001 – voorzover hier van belang - heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 31 mei 2000, voorzover daarbij is beslist op het bezwaarschrift van 22 januari 1999, gegrond verklaard, het besluit in zoverre vernietigd en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de rechtbank het beroep, voorzover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen de in het besluit van 31 mei 2000 vervatte (primaire) beslissing op het verzoek van appellant van 6 november 1998, niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Daartegen heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 januari 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 6 mei 2002 heeft de minister van antwoord gediend.
Bij brief van 15 mei 2002 heeft appellant desgevraagd de Afdeling toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb verleend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2002, waar appellant in persoon, en de minister, vertegenwoordigd door mr. F.W. Bleichrodt, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank, voorzover dit betrekking heeft op de weigering om inzage in eerdergenoemd rapport te verlenen. Het betreft hier een door de interim-manager opgesteld rapport van 11 februari 1997. Appellant heeft - kort samengevat - aangevoerd dat de rechtbank in haar uitspraken van 5 november 1999, 1 maart 2000 en 10 december 2001 er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat een schriftelijke weigering om een besluit te nemen een besluit is in de zin van de Awb. De beslissing bij brief van 15 december 1998 dient volgens appellant als een besluit op zijn aanvraag van 6 november 1998 te worden beschouwd en de beslissing van 22 juli 1999 als een besluit op het bezwaarschrift van 22 januari 1999. Appellant heeft voorts gesteld dat hij op grond van de Wob recht heeft op kennisname van het desbetreffende rapport.
2.2. De Afdeling stelt vast dat de rechtbank bij uitspraak van 5 november 1999 heeft geoordeeld dat de brieven van 15 december 1998 van 22 juli 1999 geen besluiten in de zin van de Awb zijn, nu zij niet meer inhouden dan de mededeling dat het nemen van een beslissing wordt uitgesteld. Deze uitspraak is onherroepelijk geworden, aangezien het daartegen gedane verzet door de rechtbank ongegrond is verklaard. Gelet hierop was de minister gehouden bij het besluit van 31 mei 2000 het bezwaarschrift van 22 januari 1999 gericht tegen de brief van 15 december 1998 niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank heeft het beroep tegen dit gedeelte van het besluit van 31 mei 2000 dan ook terecht gegrond verklaard, het besluit in zoverre vernietigd en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Het in dit kader gevoerde betoog slaagt derhalve niet.
2.3. De Afdeling is voorts met de rechtbank van oordeel dat de beslissing van 31 mei 2000 mede een primaire beslissing op de aanvraag van 6 november 1998 omvat. Ingevolge artikel 8:1 gelezenPro in samenhang met artikel 7:1 vanPro de Awb staat tegen deze weigering bezwaar open. De rechtbank heeft het daartegen gerichte beroep dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de minister het beroepschrift van 10 juli 2000 als een bezwaarschrift zal dienen te behandelen. Gelet op vorenstaande overwegingen komt de Afdeling aan hetgeen ten aanzien van dit onderdeel verder nog is aangevoerd niet meer toe.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak dient, voorzover aangevallen, te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voorzover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. E. Korthals Altes en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.