Art. 19 lid 3 WROArt. 20 lid 1 sub e BroArt. 4 planvoorschriften bestemmingsplan KomArt. 6 lid A sub 3 planvoorschriften bestemmingsplan KomArt. 6 lid D sub 1 planvoorschriften bestemmingsplan Kom
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging vrijstelling lichte horeca ondanks strijd met bestemmingsplan Centrumgebied
Het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck verleende vrijstelling voor de vestiging van lichte horeca in het Schepenhuis te Budel, ondanks strijd met het bestemmingsplan “Kom” met bestemming Centrumgebied. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze vrijstelling ongegrond. Appellant stelde dat het bestemmingsplan een terughoudend vestigingsbeleid voor nieuwe horecabedrijven voorschrijft en dat het huidige aanbod in Budel verlening van de vrijstelling in de weg staat.
De Raad van State oordeelt dat het bestemmingsplan en de planvoorschriften inderdaad horeca toelaten op de locatie, maar dat het gebruik voor lichte horeca strijdig is met de bestemming, zodat vrijstelling vereist is. De Raad stelt vast dat de wet- en regelgeving geen beperking oplegt tot kruimelgevallen en dat er geen beleidslijn bestond die vrijstellingen beperkt. Het argument dat het aanbod aan daghorecazaken in Budel de vrijstelling zou moeten verhinderen, wordt verworpen omdat de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet bedoeld is om concurrentieverhoudingen te reguleren.
De Raad concludeert dat geen sprake is van een duurzame ontwrichting van de voorzieningenstructuur en dat het college in redelijkheid de vrijstelling heeft kunnen verlenen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vrijstelling voor lichte horeca bevestigd.
Uitspraak
200204245/1.
Datum uitspraak: 5 maart 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats]
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 18 juni 2002 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck.
1. Procesverloop
Bij besluit van 20 maart 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck (hierna: verweerder) vrijstelling verleend op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 20, eerste lid, sub e, van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening (hierna: Bro) voor de vestiging van 'lichte horeca' op de begane grond van het Schepenhuis, gelegen aan de Markt te Budel.
Bij besluit van 27 september 2001 heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften van 11 juni 2001, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 18 juni 2002, verzonden op 26 juni 2002, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 5 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 6 augustus 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 september 2002. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 8 november 2002 heeft verweerder een memorie van antwoord ingediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. E.J.M. Stals, advocaat te Weert, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. S.B.J. Backus en P.T.M. Hoffman-Vermeulen, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Kom” rust op het perceel de bestemming “Centrumgebied”.
Ingevolge artikel 6, lid A, sub 3, van de planvoorschriften zijn de op de bestemmingenkaart als “Centrumgebied” aangewezen gronden onder andere bestemd voor horeca doeleinden.
Ingevolge artikel 4, lid A, van de planvoorschriften is het verboden de in het plan begrepen gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan gegeven bestemming.
Ingevolge artikel 6, lid D, sub 1, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, wordt onder strijdig gebruik van de grond en bouwwerken, als bedoeld in artikel 4, in elk geval verstaan een gebruik van de grond en bouwwerken in strijd met de in artikel 5 genoemdePro hoofdlijnen van het plan, alsook met de onder B. gegeven nadere regels.
Ingevolge artikel 6, lid D, sub 2, onder b, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het in artikel 4 bedoeldePro gebruiksverbod voor het gebruik van een hoofdgebouw (en eventuele bijgebouwen), geen horecabedrijf zijnde, ten behoeve van horecadoeleinden zoals hiervoor onder B.3. omschreven.
2.2. Bij besluit van 7 februari 1995 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant goedkeuring verleend aan het bestemmingsplan “Kom”, behoudens, voor zover hier van belang, aan artikel 6, lid B, sub 3 van de planvoorschriften. Ingevolge deze bepaling, voor zover hier van belang, zijn horecabedrijven enkel toegestaan ter plaatse waar deze bestaan op het tijdstip van het in ontwerp ter inzage leggen van het plan en als zodanig op de funktiekaart zijn aangegeven.
2.3. Tussen partijen is niet in geschil is dat het gebruik van het Schepenhuis voor zogenoemde lichte horeca in strijd is met de bestemming, zodat voor het beoogde gebruik het verlenen van vrijstelling is vereist. De Afdeling ziet geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.
2.4. Appellant betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat uit artikel 6, lid B, sub 3, van de planvoorschriften – waaraan gedeputeerde staten van Noord-Brabant goedkeuring hebben onthouden – moet worden afgeleid dat een terughoudend vestigingsbeleid voor nieuwe horecabedrijven wordt voorgestaan. Uit het enkele feit dat de vestiging van nieuwe horecabedrijven afhankelijk was gesteld van een vrijstelling, valt slechts af te leiden dat is beoogd elke voorgenomen vestiging op de eigen merites te beoordelen.
Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat uit artikel 19, derde lid, van de WRO in samenhang met artikel 20 vanPro het Bro, niet volgt dat de toepassing is beperkt tot zogenoemde kruimelgevallen. Evenmin is gebleken dat het college ten tijde van de beslissing op bezwaar een beleid voerde van die strekking. Op de publicatie van 27 december 2001 kan appellant zich niet beroepen, aangezien deze dateert van na de beslissing op bezwaar. Bovendien heeft deze betrekking op bouwplannen, terwijl hier alleen een wijziging van het gebruik aan de orde is.
2.5. Ook het betoog van appellant dat het huidige aanbod van daghorecazaken in de kern Budel aan verlening van de vrijstelling in de weg zou staan faalt. Als uitgangspunt geldt dat de WRO geen grondslag biedt voor het reguleren van concurrentieverhoudingen. Eerst wanneer het waarschijnlijk is dat die vestiging leidt tot een duurzame ontwrichting van de aanwezige voorzieningenstructuur in het onderhavige gebied, komt een weigering van de vrijstelling aan de orde. Met de rechtbank moet worden geoordeeld dat van een duurzame ontwrichting als boven bedoeld geen sprake is. Verder zijn er geen aanwijzingen dat dit aspect niet bij het Distributie Planologisch Onderzoek zou zijn betrokken.
2.6. Het betoog van appellant dat er geen afweging heeft plaatsgevonden met betrekking tot eventuele andere bestemmingen welke de gemeente ook had kunnen geven aan het Schepenhuis faalt, reeds omdat in de onderhavige procedure niet aan de orde is welke functie de gemeente als eigenaar van het Schepenhuis daaraan wil geven maar of verweerder in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen van de planvoorschriften voor het gebruik voor zogenoemde lichte horeca.
2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.