ECLI:NL:RVS:2003:AF5146

Raad van State

Datum uitspraak
5 maart 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200203197/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Algemene plaatselijke verordening ’s-Hertogenbosch 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit tijdelijke sluiting horecabedrijf wegens onbevoegdheid college

De burgemeester van 's-Hertogenbosch had op grond van artikel 36 van Pro de Algemene plaatselijke verordening (APV) 1996 de tijdelijke algehele sluiting bevolen van het door appellant geëxploiteerde café. Het college van burgemeester en wethouders verklaarde het bezwaar van appellant tegen deze sluiting ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit in haar uitspraak van 24 april 2002.

Appellant stelde echter dat het college niet bevoegd was de beslissing op bezwaar te nemen, omdat deze bevoegdheid exclusief bij de burgemeester ligt. De Raad van State oordeelde dat het college inderdaad onbevoegd was, aangezien de APV bepaalt dat alleen de burgemeester bevoegd is tot het nemen van besluiten over tijdelijke sluiting van horecabedrijven en het zelfstandig behandelen van bezwaarschriften daartegen.

De Raad van State vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college, verklaarde het beroep van appellant alsnog gegrond en droeg de burgemeester op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd en de burgemeester wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

200203197/1.
Datum uitspraak: 5 maart 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats]
tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 24 april 2002 in het geding tussen:
appellant
en
de burgemeester van 's-Hertogenbosch.
1. Procesverloop
Bij besluit van 9 november 2000 heeft de burgemeester van 's-Hertogenbosch (hierna: de burgemeester) krachtens artikel 36 van Pro de Algemene plaatselijke verordening ’s-Hertogenbosch 1996 met onmiddellijke ingang de tijdelijke algehele sluiting bevolen van het door appellant geëxploiteerde [café] aan de [locatie] te ‘s-Hertogenbosch.
Bij besluit van 24 april 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van ‘s-Hertogenbosch (hierna: het college) het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 april 2002, verzonden op 2 mei 2002, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juni 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 augustus 2002. Deze brieven zijn aangehecht.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2003, waar appellant in persoon en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. I. de Leeuw, ambtenaar bij de gemeente ‘s-Hertogenbosch, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 36 van Pro de Algemene plaatselijke verordening ’s-Hertogenbosch 1996 (hierna: de APV), voorzover hier van belang, kan de burgemeester in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, bij openbaar bekend te maken besluit, tijdelijk algehele sluiting van een of meer horecabedrijven bevelen. Hij brengt het besluit onmiddellijk ter kennis van de houder van het bedrijf die het betreft.
2.2. Appellant betoogt primair dat de beslissing op bezwaar onbevoegd is genomen.
2.3. Ingevolge artikel 36 van Pro de APV is de burgemeester bevoegd tot het nemen van de beslissing inzake het tijdelijk sluiten van horecabedrijven. De beslissing op bezwaar is genomen en ondertekend door het college, terwijl de bevoegdheid tot het nemen van die beslissing, zoals ook de rechtbank heeft vastgesteld, bij de burgemeester berustte. De omstandigheid dat de beslissing tot ongegrondverklaring van het bezwaarschrift is genomen in de vergadering van het college van 24 april 2001 in aanwezigheid en met instemming van de burgemeester, maakt dit bevoegdheidsgebrek niet ongedaan. De burgemeester is met uitsluiting van andere gemeentelijke bestuursorganen aangewezen tot het bevelen van tijdelijke algehele sluiting van een horecabedrijf. Hij dient een bezwaarschrift daartegen zelfstandig en met inachtneming van de betrokken belangen te beoordelen. De rechtbank heeft dit miskend. Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Nu het besluit van 24 april 2001 onbevoegd is genomen, komt dit voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt het inleidende beroep alsnog gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar van 24 april 2001 vernietigd.
2.4. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling op na te melden wijze.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 24 april 2002, AWB 01/1568 HOREC H BB;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch van 24 april 2001, SO/JUR 15399;
V. draagt de burgemeester van 's-Hertogenbosch op binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;
VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 966,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente ‘s-Hertogenbosch te worden betaald aan appellant;
VII. gelast dat de gemeente 's-Hertogenbosch aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 267,10) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Dijk w.g. Broodman
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2003
204/97-426.