ECLI:NL:RVS:2003:AF5158
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- E.A. Alkema
- M.G.J. Parkins-de Vin
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken voldoende belang bij bouwvergunning
Appellant had een aanvraag ingediend voor een bouwvergunning voor het oprichten van een africhtingshal voor paarden op een perceel in Haaren. Het college van burgemeester en wethouders had de beslissing op de aanvraag aanvankelijk aangehouden en later alsnog de vergunning verleend nadat een milieuvergunning krachtens de Wet milieubeheer was toegekend.
Appellant stelde dat hij nog steeds belang had bij het hoger beroep omdat door de aanhouding van de vergunning de bouw later kon beginnen, wat leidde tot hogere bouwkosten en vertraagde exploitatie. De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en de Raad van State moest beoordelen of appellant voldoende belang had bij het hoger beroep.
De Raad van State oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij direct met de bouw zou zijn begonnen als de vergunning eerder was verleend, mede omdat hij geen zekerheid had over de milieuvergunning. Andere schade was niet gesteld of gebleken. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd omdat het college niet had toegegeven aan de vordering van appellant. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 5 maart 2003.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van voldoende belang.