200202995/1.
Datum uitspraak: 5 maart 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats]
tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 23 april 2002 in het geding tussen:
het college van burgemeester en wethouders van Haaren.
Bij besluit van 18 juli 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haaren (hierna: het college) de beslissing op een aanvraag van appellant om bouwvergunning voor het oprichten van een africhtingshal voor paarden op het perceel, kadastraal bekend Helvoirt, sectie […], nummer […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) aangehouden.
Bij besluit van 29 maart 2001 heeft het het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 april 2002, verzonden op 25 april 2002, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 juni 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 1 juli 2002. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 13 augustus 2002 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, is verschenen.
2.1. Appellant klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de beslissing op de aanvraag ten onrechte heeft aangehouden.
2.2. Gebleken is dat het college op 5 juni 2001 alsnog de gevraagde bouwvergunning heeft verleend, nadat vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend. Appellant heeft gesteld niettemin nog belang te hebben bij het hoger beroep, omdat hij als gevolg van de aanhouding later met de bouwwerkzaamheden een aanvang heeft kunnen maken, dan indien aanstonds op de aanvraag zou zijn beslist. Hierdoor heeft hij schade geleden, bestaande in een stijging van de bouwkosten en het eerst later kunnen exploiteren van de hal, aldus appellant.
2.3. De omstandigheid dat schade is geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming kan in een situatie als de onderhavige tot het oordeel leiden dat nog belang bestaat bij het hoger beroep. Daarvoor is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat daadwerkelijk schade is geleden. Appellant is daarin niet geslaagd. Hij heeft niet tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat hij zou zijn aangevangen met de bouwactiviteiten, zodra hem bouwvergunning zou zijn verleend, alhoewel hij nog geen zekerheid had dat hem voor de door hem beoogde activiteiten krachtens de Wet milieubeheer vergunning zou worden verleend. Daaraan doet niet af dat appellant, zoals hij stelt, meende geen milieuvergunning nodig te hebben, nu zodanige vergunning wel nodig was en deze eerst later is verleend. Andere schade is door appellant niet gesteld en daarvan is ook niet gebleken.
2.4. Gelet op het voorgaande, dient het hoger beroep wegens het ontbreken van voldoende belang niet-ontvankelijk te worden verklaard.
2.5. Nu geen sprake is van tegemoetkomen door het college, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. E.A. Alkema en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Boer
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2003