ECLI:NL:RVS:2003:AF5581

Raad van State

Datum uitspraak
12 maart 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200205306/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Huisvestingsverordening 1999
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit beëindiging bemiddeling woonruimte na weigering woningaanbod

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om de bemiddeling ter verkrijging van woonruimte te beëindigen, omdat hij niet had gereageerd op een woningaanbod. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde het besluit.

In hoger beroep heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het oordeel van de voorzieningenrechter bevestigd. De Afdeling vond dat het college terecht had geconcludeerd dat het niet reageren van appellant gelijk stond aan weigering van de woning. Tevens was appellant voldoende geïnformeerd over de gevolgen van het weigeren van het eenmalige woningaanbod.

Er waren geen bijzondere omstandigheden die het college tot afwijking van de richtlijnen hadden moeten brengen. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de bemiddeling is bevestigd.

Uitspraak

200205306/1.
Datum uitspraak: 12 maart 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam van 22 augustus 2002 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
1. Procesverloop
Bij besluit van 15 januari 2002 heeft de directeur van de Stedelijke Woningdienst Amsterdam namens het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) op de voet van de Huisvestingsverordening 1999 de bemiddeling ter verkrijging van woonruimte ten behoeve van appellant, beëindigd.
Bij besluit van 16 mei 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 augustus 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, ingekomen bij de Raad van State op 3 oktober 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 21 november 2002 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 februari 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. R. Veerkamp, advocaat te Utrecht en het college, vertegenwoordigd door mr. N.F. Wohlgermut Kitslaar, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Terecht heeft de voorzieningenrechter het geschil toegespitst op de vraag of het college het niet reageren van appellant op de aanbieding van de woning gelijk heeft kunnen stellen met de weigering daarvan en of het college het besluit van 15 januari 2002 in redelijkheid heeft kunnen handhaven.
De voorzieningenrechter is op juiste gronden tot het oordeel gekomen dat het college heeft kunnen concluderen dat appellant heeft geweigerd de hem toegewezen woning te accepteren. Met de voorzieningenrechter is de Afdeling voorts van oordeel dat appellant voldoende was geïnformeerd omtrent de gevolgen van het weigeren van de eenmalige aanbieding van woonruimte. Ook is, mede gelet op het verhandelde ter zitting, niet gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden die het college in dit geval had moeten nopen tot afwijking van de toepasselijke richtlijnen.
2.2. Het hoger beroep is derhalve ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Koning, ambtenaar van Staat.
w.g. Bijloos w.g. De Koning
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2003
221.