AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging vergunning voor woninguitbreiding zonder vereiste vrijstelling achtergevelbebouwingsgrens
Het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen verleende een bouwvergunning voor de uitbreiding van een woning, waarna bezwaar en beroep werden ingesteld door appellanten. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en de appellanten stelden hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak toetste of voor de uitbreiding een vrijstelling nodig was op grond van het bestemmingsplan "Galgenveld III-1974". Volgens het plan is een vrijstelling vereist indien de achtergevelbebouwingsgrens wordt overschreden. De Afdeling stelde vast dat deze grens niet werd overschreden en dat het overgangsrecht van toepassing was.
De appellanten voerden aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat geen vrijstelling nodig was en dat het college geen belangenafweging had gemaakt. De Afdeling verwierp deze gronden, omdat artikel 44 vanPro de Woningwet limitatief de weigeringsgronden voor bouwvergunningen bepaalt en geen van deze gronden zich voordeed.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verleende bouwvergunning blijft in stand.
Uitspraak
200205255/1.
Datum uitspraak: 12 maart 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Arnhem van 21 augustus 2002 in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen.
1. Procesverloop
Bij besluit van 12 november 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (hierna: het college) aan [vergunninghouders] bouwvergunning verleend voor de uitbreiding van de woning op het perceel kadastraal bekend gemeente Hatert, plaatselijk bekend [locatie 1], te [plaats].
Bij besluit van 21 juni 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 augustus 2002, verzonden op 23 augustus 2002, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Arnhem (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 30 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 oktober 2002. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 28 november 2002 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.
Bij brief van 8 december 2002 hebben [vergunninghouders] een reactie ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2003, waar [een der appellanten] in persoon, bijgestaan door mr. J.R. Zeelenberg, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. A.J.C. van der Heijden, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord [vergunninghouders].
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Galgenveld III-1974” heeft het betrokken perceel de bestemming “Eengezinshuizen in gesloten bebouwing (E2G-A)”.
In hoofdstuk V, onder C, lid I, is neergelegd in welke gevallen burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen voor het overschrijden van de achtergevelbebouwingsgrens.
Ingevolge hoofdstuk VII, onder B, mag de bebouwing die bestond ten tijde van de ter visielegging van het plan en die afwijkt van de in het bestemmingsplan gegeven bestemming- en/of maten, gedeeltelijk vernieuwd en/of veranderd worden en behoudens vrijstelling van burgemeester en wethouders, met overschrijding van de achtergevelbebouwingsgrens worden uitgebreid tot 25% van de inhoud, een en ander, mits:
1. het gebouw blijft binnen de categorie waartoe het behoort of behoorde. (…)
2. de bestaande of bestaan hebbende afwijkingen van het plan naar hun aard niet worden vergroot.
2.2. Niet in geschil is en ook de Afdeling gaat er van uit dat het overgangsrecht, zoals neergelegd in hoofdstuk VII, onder B, van de planvoorschriften, op het bouwplan van toepassing is.
2.3. Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat voor de uitbreiding van de woning vrijstelling, als bedoeld in hoofdstuk VII, onder B, is vereist.
Dit betoog faalt. De Afdeling onderschrijft het standpunt van de voorzieningenrechter dat ingevolge voormeld planvoorschrift vrijstelling eerst vereist is indien een uitbreiding plaats heeft die overschrijding van de achtergevelbebouwingsgrens tot gevolg heeft. Naar het oordeel van de Afdeling verwijst het planvoorschrift naar de vrijstelling als bedoeld in Hoofdstuk V, onder C, lid I, van de planvoorschriften. Nu de achtergevelbebouwingsgrens niet als gevolg van het bouwplan wordt overschreden, is die vrijstelling niet aan de orde.
De beslissing op bezwaar wijkt op dit onderdeel niet af van hetgeen in de beslissing in primo is neergelegd. Het betoog van appellanten dat het college in de beslissing op bezwaar ongemotiveerd is terug gekomen op zijn standpunt dat wel vrijstelling vereist zou zijn slaagt reeds daarom niet.
2.4. Appellanten betogen tevergeefs dat het college bij het nemen van de beslissing op bezwaar geen belangenafweging heeft gemaakt. Artikel 44 vanPro de Woningwet geeft een limitatieve opsomming van de gronden waarop een bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd. Niet is gebleken dat één van de in dit artikel genoemde weigeringsgronden zich in dit geval voordoet. Nu, gelet op het dwingend bepaalde in artikel 44, de gevraagde vergunning moest worden verleend, bestond voor een afweging van belangen geen ruimte.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.