ECLI:NL:RVS:2003:AF5988

Raad van State

Datum uitspraak
19 maart 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200204848/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.A.C. Slump
  • J.H. Roelfsema
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 4 voorschriften bestemmingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering handhaving kap bomen manegeterrein Lichtenvoorde

Het college van burgemeester en wethouders van Lichtenvoorde weigerde handhavend op te treden tegen het kappen van bomen door de Stichting Ruitercentrum Groot Lichtenvoorde op het manegeterrein aan de Boschlaan. Appellant stelde dat het kappen niet als dunning kon worden beschouwd en dat het in strijd was met het bestemmingsplan vanwege vergroting van de inrijbak en aantasting van de bufferfunctie.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en de Raad van State bevestigt deze uitspraak in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het kappen van de bomen als dunning bij onderhoud moet worden gezien, omdat veel bomen zijn blijven staan. Verder is niet gebleken dat de inrijbak is vergroot; het weghalen van overhangende takken was om de benutting te verbeteren.

Hoewel de bufferfunctie tijdelijk is aangetast, is aannemelijk dat deze op termijn wordt versterkt door verbeterde groeimogelijkheden. Daarom is het kappen niet in strijd met het bestemmingsplan. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200204848/1.
Datum uitspraak: 19 maart 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Lichtenvoorde,
tegen de uitspraak van de rechtbank te Zutphen van 23 juli 2002 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Lichtenvoorde.
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 februari 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lichtenvoorde (hierna: het college) geweigerd handhavend op te treden tegen het kappen van bomen door de Stichting Ruitercentrum Groot Lichtenvoorde op het manegeterrein aan de Boschlaan te Lichtenvoorde.
Bij besluit van 11 juni 2001 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 juli 2002, verzonden op 30 juli 2002, heeft de rechtbank te Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 4 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 september 2002. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 4 november 2002 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2003, waar het college, vertegenwoordigd door B. ten Have, ambtenaar der gemeente, is verschenen. Daar is ook gehoord de Stichting Ruitercentrum Groot Lichtenvoorde, vertegenwoordigd door [gemachtigden].
2. Overwegingen
2.1. Het betoog van appellant dat het kappen van de bomen niet als dunning in de zin van de kapverordening kan worden beschouwd, faalt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van dunning bij wijze van onderhoud nu uit de foto’s blijkt dat naast en tussen de bomen die gekapt zijn een groot aantal bomen is blijven staan.
2.2. Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het kappen van de bomen in strijd is met het bestemmingsplan omdat daardoor de inrijbak van de manege is vergroot en omdat daardoor de bufferfunctie van het gedeelte van het terrein met de bestemming “bos en natuurgebied” is aangetast. Dit betoog faalt. Evenals de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat niet is gebleken dat de inrijbak is vergroot. Wel is ter zitting gebleken dat overhangende takken boven de inrijbak zijn weggehaald om deze beter te kunnen benutten. Voorts is naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk dat, alhoewel de bufferfunctie door het kappen van de bomen tijdelijk enigszins is aangetast, door de verbeterde groeimogelijkheden verdichting plaats zal vinden en de bufferfunctie op termijn wordt versterkt. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het kappen van de bomen niet in strijd is met artikel 4 van Pro de voorschriften van het bestemmingsplan.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump w.g. Roelfsema
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2003
58-398.