ECLI:NL:RVS:2003:AF5992
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.J. Hoekstra
- R.H. Lauwaars
- P.J.J. van Buuren
- Rechtspraak.nl
Aanwijzing Drontermeer als speciale beschermingszone volgens Vogelrichtlijn en Wetlands-Conventie
De zaak betreft het besluit van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij om het Drontermeer aan te wijzen als speciale beschermingszone (SBZ) volgens de Vogelrichtlijn en op te nemen in de lijst van watergebieden van internationale betekenis conform de Wetlands-Conventie.
Appellanten, waaronder de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging en de Gewestelijke Land- en Tuinbouworganisatie (GLTO), maakten bezwaar tegen deze aanwijzing. De GLTO werd niet als belanghebbende erkend en haar bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De overige bezwaren richtten zich onder meer op de selectie- en begrenzingscriteria, rechtsgevolgen van het besluit, het ontbreken van nadeelcompensatie en het jachtverbod.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de selectie en begrenzing van het gebied op ornithologische criteria zijn gebaseerd, zoals voorgeschreven door de Vogelrichtlijn, en dat de gebruikte telgegevens en methoden adequaat en wetenschappelijk verantwoord zijn. Niet-ornithologische belangen, zoals agrarische en recreatieve belangen, mogen geen rol spelen bij de aanwijzing.
Verder is vastgesteld dat het aanwijzingsbesluit voldoet aan de motiveringsvereisten en dat het ontbreken van een regeling voor nadeelcompensatie niet onrechtmatig is. Het jachtverbod volgt uit latere wetgeving en is niet direct verbonden aan het aanwijzingsbesluit. De beroepen zijn daarom grotendeels ongegrond, behalve het beroep van de GLTO dat niet-ontvankelijk was verklaard en waarvoor het besluit is vernietigd.
Uitkomst: Het bezwaar van de GLTO is niet-ontvankelijk verklaard en vernietigd, overige beroepen zijn ongegrond verklaard; het Drontermeer blijft aangewezen als speciale beschermingszone.