ECLI:NL:RVS:2003:AF6715
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- E.M.H. Hirsch Ballin
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen intrekking vergunning grondwaterbron
Appellant had een vergunning krachtens de Grondwaterwet voor het aanbrengen en gebruiken van een grondwaterbron voor beregeningsactiviteiten. Deze vergunning werd door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant ingetrokken op grond van artikel 25, tweede lid, onder b, van de Grondwaterwet omdat er gedurende vier achtereenvolgende jaren geen gebruik van was gemaakt.
Appellant stelde beroep in tegen dit besluit zonder eerst een bezwaarschrift te hebben ingediend bij verweerder. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelde vast dat de procedure van bezwaar maken voorafgaand aan beroep instellen hier van toepassing was, omdat het besluit niet was voorbereid met toepassing van de in afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedures.
Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht als bezwaarschrift aan verweerder doorgezonden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd, maar appellant kreeg het betaalde griffierecht van €109,- terugbetaald.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de vergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een voorafgaand bezwaarschrift.