ECLI:NL:RVS:2003:AF6716
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- E.M.H. Hirsch Ballin
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken voorafgaand bezwaar tegen intrekking grondwatervergunning
Appellanten hadden beroep ingesteld tegen het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot intrekking van hun vergunning krachtens de Grondwaterwet voor het gebruik van een grondwaterbron. De intrekking was gebaseerd op artikel 25, eerste lid, van de Grondwaterwet, omdat appellanten schriftelijk hadden verklaard geen gebruik te maken van de vergunning.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelde vast dat voor de voorbereiding van het besluit geen procedure uit afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht was gevolgd en ook niet wettelijk was voorgeschreven. Hierdoor gold het vereiste dat appellanten eerst bezwaar moesten maken voordat zij beroep konden instellen. Omdat appellanten geen bezwaarschrift hadden ingediend, werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
De Afdeling gelastte tevens dat de provincie Noord-Brabant het betaalde griffierecht aan appellanten vergoedt. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling omdat geen kosten waren gebleken die daarvoor in aanmerking kwamen.
De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 2 april 2003, waarbij de voorzitter en leden het vonnis vaststelden in aanwezigheid van een ambtenaar van Staat.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de grondwatervergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een voorafgaand bezwaarschrift.