ECLI:NL:RVS:2003:AF6717
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- E.M.H. Hirsch Ballin
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vergunningvoorschrift grondwateronttrekking in Noord-Brabant
Appellant exploiteert een melkveehouderij en heeft een vergunning gekregen voor het onttrekken van grondwater tot 10 m3 per uur uit een put dieper dan 30 meter. Het aan de vergunning verbonden voorschrift verbiedt het vervangen van de pompput door een dieper gelegen put. Appellant betoogt dat dit voorschrift leidt tot hoge kosten omdat het water op minder dan 30 meter diepte niet voldoet aan drinkwaterkwaliteit en de waterleidingdruk onvoldoende is voor het reinigen van de melkmachine.
Verweerder stelt dat het voorschrift past binnen de Verordening Waterhuishouding Noord-Brabant 1997, die sinds 1 oktober 2000 kleine onttrekkingen uit diepe putten vergunningplichtig maakt om duurzaam grondwaterbeheer te waarborgen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het voorschrift redelijk is en beoogt de bestaande kleine grondwateronttrekkingen geleidelijk af te bouwen door bij vervanging een nieuwe vergunning te eisen.
De Afdeling stelt vast dat het voorschrift niet volledig het slaan van een diepere put uitsluit, maar dat dit een nieuwe vergunningprocedure vereist waarbij belangen zorgvuldig worden afgewogen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het vergunningvoorschrift is ongegrond verklaard en het voorschrift blijft van kracht.