ECLI:NL:RVS:2003:AF6718
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- E.M.H. Hirsch Ballin
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken voorafgaand bezwaar tegen intrekking grondwatervergunning
Appellant had een vergunning krachtens de Grondwaterwet voor het aanbrengen en gebruiken van een grondwaterbron ten behoeve van beregeningsactiviteiten. Deze vergunning werd op 31 mei 2002 door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant ingetrokken omdat er gedurende vier achtereenvolgende jaren geen gebruik van was gemaakt.
Appellant stelde beroep in bij de Raad van State zonder eerst een bezwaarschrift bij verweerder in te dienen. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat op grond van artikel 7:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in dit geval eerst bezwaar had moeten worden gemaakt, omdat niet was voldaan aan de uitzonderingen voor rechtstreeks beroep.
Daarom verklaarde de Afdeling het beroep niet-ontvankelijk en stuurde het beroepschrift door als bezwaarschrift aan verweerder. Tevens veroordeelde de Afdeling het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan appellant, omdat verweerder onjuist had aangegeven dat rechtstreeks beroep mogelijk was.
De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en twee leden van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 2 april 2003.
Uitkomst: Het beroep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een voorafgaand bezwaarschrift en de provincie Noord-Brabant werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.