ECLI:NL:RVS:2003:AF6718

Raad van State

Datum uitspraak
2 april 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200203524/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • H.G. Lubberdink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 GrondwaterwetArt. 3:14 AwbArt. 7:1 AwbArt. 6:15 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken voorafgaand bezwaar tegen intrekking grondwatervergunning

Appellant had een vergunning krachtens de Grondwaterwet voor het aanbrengen en gebruiken van een grondwaterbron ten behoeve van beregeningsactiviteiten. Deze vergunning werd op 31 mei 2002 door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant ingetrokken omdat er gedurende vier achtereenvolgende jaren geen gebruik van was gemaakt.

Appellant stelde beroep in bij de Raad van State zonder eerst een bezwaarschrift bij verweerder in te dienen. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat op grond van artikel 7:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in dit geval eerst bezwaar had moeten worden gemaakt, omdat niet was voldaan aan de uitzonderingen voor rechtstreeks beroep.

Daarom verklaarde de Afdeling het beroep niet-ontvankelijk en stuurde het beroepschrift door als bezwaarschrift aan verweerder. Tevens veroordeelde de Afdeling het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan appellant, omdat verweerder onjuist had aangegeven dat rechtstreeks beroep mogelijk was.

De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en twee leden van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 2 april 2003.

Uitkomst: Het beroep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een voorafgaand bezwaarschrift en de provincie Noord-Brabant werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

200203524/1.
Datum uitspraak: 2 april 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 31 mei 2002, kenmerk 836555, heeft verweerder de aan appellant verleende vergunning krachtens de Grondwaterwet voor het aanbrengen en gebruiken van een grondwaterbron ten behoeve van beregeningsactiviteiten, ingetrokken.
Tegen dit besluit heeft appellant bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 juli 2002, beroep ingesteld.
Bij brief van 3 september 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door [gemachtigde], werkzaam bij ABAB Accountants, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. J. Ram, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De onderhavige vergunning is ingetrokken op grond van artikel 25, tweede lid, aanhef en onder b, van de Grondwaterwet.
In dit artikel is bepaald dat een vergunning krachtens de Grondwaterwet kan worden ingetrokken indien daarvan gedurende vier achtereenvolgende jaren geen gebruik is gemaakt.
2.2. In artikel 3:14 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat de in de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 en 3.5.6 geregelde procedures voor de voorbereiding van besluiten worden gevolgd indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald.
In artikel 7.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht is, voorzover hier relevant, bepaald dat degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep in te stellen, daartegen eerst bezwaar moet maken, tenzij het besluit is voorbereid met toepassing van een van de in afdeling 3.5 geregelde procedures.
2.3. De Afdeling stelt vast dat niet bij wettelijk voorschrift is bepaald dat een van de in afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedures moet worden gevolgd bij de voorbereiding van het onderhavige besluit. Dit is evenmin bij afzonderlijk besluit van verweerder bepaald. Van de zijde van verweerder is zulks ter zitting bevestigd. Uit artikel 7.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat appellant in dit geval, voorafgaande aan het instellen van beroep, een bezwaarschrift bij verweerder had moet indienen. Door appellant is geen bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Derhalve moet worden vastgesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is en dat het onderhavige beroepschrift met toepassing van artikel 6:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht ter behandeling als bezwaarschrift aan verweerder moet worden doorgezonden.
2.4. Aangezien verweerder heeft vermeld dat rechtstreeks beroep bij de Afdeling kon worden ingesteld, ziet de Afdeling aanleiding verweerder op de navolgende wijze te veroordelen in de proceskosten.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan appellant;
III. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. E.M.H. Hirsch Ballin en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.
w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Oudenaller
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2003
179-404.