ECLI:NL:RVS:2003:AF6719
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- E.M.H. Hirsch Ballin
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen intrekking vergunning grondwaterwet
De zaak betreft het beroep van appellant tegen het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot intrekking van een vergunning op grond van de Grondwaterwet, omdat gedurende vier jaar geen gebruik was gemaakt van de vergunning. Appellant stelde beroep in zonder eerst bezwaar te maken, terwijl dit volgens de Algemene wet bestuursrecht verplicht was omdat de procedure niet onder afdeling 3.5 viel.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de intrekking van de vergunning niet was voorbereid met een van de in afdeling 3.5 geregelde procedures, waardoor appellant eerst bezwaar had moeten maken. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en het beroepschrift werd als bezwaarschrift doorgezonden aan verweerder.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd omdat geen kosten waren aangetoond. De provincie Noord-Brabant werd verplicht het betaalde griffierecht aan appellant te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 2 april 2003.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de vergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een voorafgaand bezwaarschrift.