ECLI:NL:RVS:2003:AF6721
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- E.M.H. Hirsch Ballin
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Vergunning grondwateronttrekking met dieptelimiet niet onrechtmatig
Appellant exploiteert een veehouderij en ontving een vergunning voor het onttrekken van grondwater tot 10 m3 per uur uit een put dieper dan 30 meter. Aan de vergunning is het voorschrift verbonden dat vervangende pompputten niet dieper mogen zijn dan 30 meter minus maaiveld. Appellant betoogde dat dit voorschrift onterecht was, omdat alleen op grond van de Wet bodembescherming en de Wet milieubeheer voorschriften kunnen worden gesteld ter bescherming van diepe watervoerende lagen.
De Raad van State oordeelde dat appellant niet-ontvankelijk was in zijn beroep voor zover hij zich op deze grond beriep, omdat hij geen bedenkingen tegen het ontwerpbesluit had ingebracht. Voor het overige wees de Afdeling het beroep af. De Verordening Waterhuishouding Noord-Brabant 1997, gewijzigd per 1 oktober 2000, maakt kleine onttrekkingen uit diepe putten vergunningplichtig om duurzaam grondwaterbeheer te waarborgen.
Het voorschrift dat vervangende putten niet dieper mogen zijn dan 30 meter minus maaiveld, is volgens de Afdeling in overeenstemming met de beleidsdoelstellingen en rechtvaardigt een geleidelijke afbouw van diepe kleine onttrekkingen. Indien appellant een diepere put wil slaan, moet hij een nieuwe vergunning aanvragen waarbij belangen worden afgewogen. Het beroep is daarom, voor zover ontvankelijk, ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep is deels niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond verklaard.