ECLI:NL:RVS:2003:AF6725
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- E.M.H. Hirsch Ballin
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen intrekking vergunning grondwatergebruik
Appellant had een vergunning krachtens de Grondwaterwet voor het aanbrengen en gebruiken van een grondwaterbron voor beregeningsactiviteiten. Deze vergunning werd door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant op 31 mei 2002 ingetrokken omdat er gedurende vier achtereenvolgende jaren geen gebruik van was gemaakt.
Appellant stelde beroep in bij de Raad van State, maar had voorafgaand geen bezwaarschrift ingediend bij verweerder. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat geen van de in afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde voorbereidingsprocedures van toepassing was en dat appellant daarom eerst bezwaar had moeten maken. Hierdoor werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
De Afdeling veroordeelde de provincie Noord-Brabant tot vergoeding van de proceskosten van appellant, die deels waren toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. Tevens verviel een eerder getroffen voorlopige voorziening zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de vergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een voorafgaand bezwaarschrift.