ECLI:NL:RVS:2003:AF6726
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- E.M.H. Hirsch Ballin
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen intrekking vergunning grondwatergebruik
Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant heeft op 31 mei 2002 een vergunning voor het gebruik van een grondwaterbron ingetrokken omdat deze gedurende vier achtereenvolgende jaren niet is gebruikt. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de Raad van State zonder eerst een bezwaarschrift te hebben ingediend bij verweerder.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat op grond van artikel 7:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in dit geval eerst bezwaar had moeten worden gemaakt omdat geen van de in afdeling 3.5 geregelde voorbereidingsprocedures van toepassing was. Hierdoor is het beroep niet-ontvankelijk en wordt het beroepschrift als bezwaarschrift doorgezonden aan verweerder.
De Afdeling veroordeelt het college van gedeputeerde staten in de proceskosten en gelast vergoeding van het betaalde griffierecht aan appellant. Tevens vervalt de eerder getroffen voorlopige voorziening zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de vergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een voorafgaand bezwaarschrift.