ECLI:NL:RVS:2003:AF6753
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- K. Brink
- H.Ph.J.A.M. Hennekens
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vergunning storten onderhoudsbaggerspecie Westerschelde wegens termijn en hoeveelheid
De zaak betreft het besluit van 22 maart 2001 waarbij de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat een vergunning verleende aan de Vlaamse Regering voor het storten van maximaal 20 miljoen m3 onderhoudsbaggerspecie per jaar in de Westerschelde. Appellanten, waaronder gemeenten en milieuorganisaties, stelden beroep in tegen dit besluit.
De Afdeling bestuursrechtspraak onderzocht onder meer de milieuhygiënische kwaliteit van de stortvakken, de duidelijkheid van de stortlocaties, de toepasselijkheid van de Wet milieubeheer en het Bouwstoffenbesluit, en de termijn van de vergunning. De Afdeling oordeelde dat de vergunning onterecht voor onbepaalde tijd was verleend en dat onvoldoende rekening was gehouden met de noodzaak van een tijdelijke vergunning conform artikel 8.17 van de Wet milieubeheer.
Verder werd geoordeeld dat de maximale storthoeveelheid van 20 miljoen m3 onvoldoende was onderbouwd, gezien de morfologische en ecologische onzekerheden. Ook werd een voorschrift over het verwijderen van verontreinigde baggerspecie op Vlaams grondgebied vernietigd omdat dit buiten het toepassingsgebied van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren valt.
De overige bezwaren, waaronder informatieplicht bij calamiteiten en toepassing van Europese richtlijnen, werden ongegrond verklaard. De Afdeling vernietigde het besluit deels en droeg de Staatssecretaris op binnen 12 weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werden proceskosten aan appellanten toegekend.
Uitkomst: Het besluit is gedeeltelijk vernietigd vanwege onbepaalde vergunningstermijn, onvoldoende onderbouwing van storthoeveelheid en onjuiste voorschriften; nieuw besluit moet worden genomen.