ECLI:NL:RVS:2003:AF7371
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- S. Zwemstra
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering vergunning voor verbreding uitrit wegens belang bruikbaarheid weg
Appellanten verzochten het college van burgemeester en wethouders van Eijsden om een vergunning voor het verbreden van een bestaande uitrit. Het college wees dit verzoek af met het oog op het belang van de bruikbaarheid van de weg, waarbij onder meer het behoud van openbare parkeerruimte werd meegewogen. Na een bezwaarprocedure handhaafde het college de weigering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. Appellanten stelden dat het college onvoldoende had aangetoond dat het gebruik van de weg door de vergunning in het gedrang kwam, en dat de rechtbank ten onrechte de belangen van appellanten niet voldoende had meegewogen. De Raad van State oordeelde dat het college in redelijkheid kon besluiten dat de verbreding van de uitrit de bruikbaarheid van de weg nadelig beïnvloedt, mede door het verlies van een parkeerplaats.
Hoewel de rechtbank een onjuiste uitleg gaf aan artikel 3:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, zag de Afdeling geen reden om het beroep gegrond te verklaren, omdat het college wel een zorgvuldige belangenafweging had gemaakt. Het algemene belang van de bruikbaarheid van de weg woog zwaarder dan het specifieke belang van appellanten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de vergunning bevestigd.