AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake wijziging keur Waterschap Groot Salland
Het algemeen bestuur van het Waterschap Groot Salland heeft op 21 december 2000 wijzigingen vastgesteld in de Keur Waterschap Groot Salland 1997. Appellant maakte bezwaar tegen deze wijzigingen en stelde administratief beroep in bij het college van gedeputeerde staten van Overijssel, dat dit beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank te Zwolle, die eveneens het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant stelde daarop hoger beroep in bij de Raad van State. Hij voerde aan dat de wijziging van de keur niet goed beoordeeld kon worden zonder het waterbeheersplan en dat de wijziging van artikel 3.1 ertoe zou leiden dat al het oppervlaktewater in beheer van het Waterschap zou komen, met mogelijke functieveranderingen en aantasting van eigendomsrechten.
De Raad van State oordeelde dat er geen wettelijke bepaling is die vaststelling van keurwijzigingen verbiedt zonder een nieuw waterbeheersplan. Verder werd vastgesteld dat de wijziging van artikel 3.1 uitsluitend betrekking heeft op het waterkwantiteitsbeheer en geen gevolgen heeft voor onderhoud, functie of eigendom van het oppervlaktewater. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
200204301/1.
Datum uitspraak: 29 april 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Zwolle van 27 juni 2002 in het geding tussen:
appellant
en
het college van gedeputeerde staten van Overijssel.
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 december 2000 heeft het algemeen bestuur van het Waterschap Groot Salland wijzigingen van de Keur Waterschap Groot Salland 1997 (hierna: de keur) vastgesteld.
Bij besluit van 27 september 2001 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel (verder te noemen het college) het daartegen door appellant ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 juni 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Zwolle (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 7 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 18 september 2002 heeft het dagelijks bestuur van het Waterschap Groot Salland, daartoe gedelegeerd door het algemeen bestuur, dat op de voet van artikel 8:26 vanPro de Algemene wet bestuursrecht als partij aan het geding deelneemt, een memorie ingediend, en bij brief van 10 oktober 2002 heeft het college een memorie ingediend.
Bij brief van 8 november 2002 heeft appellant nadere stukken toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2003, waar appellant in persoon, en het college, vertegenwoordigd door B.M. Groenhof en H. Tienstra, beiden ambtenaar der provincie. Van de zijde van het Waterschap Groot Salland (hierna: het Waterschap) is verschenen J. Klooster, aldaar werkzaam.
2. Overwegingen
2.1. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat naar zijn mening een goede beoordeling van de keurwijzigingen niet mogelijk is als het voor het betrokken waterstaatkundige zorggebied geldende beleid, blijkend uit het waterbeheersplan, niet bekend is. Dat beleid is zijns inziens richtinggevend bij de uitvoering van de keur.
De rechtbank heeft terzake terecht overwogen dat niet gebleken is van enige wettelijke bepaling die er aan in de weg staat wijzigingen van een keur vast te stellen zolang een nieuw waterbeheersplan niet is vastgesteld en goedgekeurd en dat ook anderszins niet kan worden ingezien dat eerst een nieuw waterbeheersplan moet worden vastgesteld en goedgekeurd alvorens tot de in geding zijnde vaststelling van de wijzigingen van de keur kan worden besloten.
2.2. Appellant heeft in hoger beroep verder aangevoerd dat de wijziging van artikel 3.1 van de keur ertoe zal leiden dat al het oppervlaktewater in beheer van het Waterschap zal komen en dat deze wijziging functieveranderingen in het desbetreffende gebied tot gevolg kan hebben alsmede een aantasting van eigendom teweeg kan brengen. Appellant heeft in dit verband aangegeven met name bevreesd te zijn dat alle sloten onder de keur komen te vallen, met alle beperkingen van dien.
2.2.1. Blijkens de toelichting op de wijzigingen van de keur en zoals ter zitting van de zijde van het Waterschap nog eens is benadrukt, wordt met de toevoeging van onderdeel e aan artikel 3.1 van de keur duidelijk gemaakt dat het Waterschap in het kader van het waterkwantiteitsbeheer al het in zijn gebied gelegen oppervlaktewater in beheer heeft. Deze wijziging heeft derhalve wel betrekking op het beheer van het oppervlaktewater, doch heeft, gelezen in samenhang met de toevoeging van een vijfde lid aan artikel 3.6 van de keur, uitsluitend gevolgen voor het beheer van het oppervlaktewater wat betreft het waterpeil. Genoemde wijziging heeft geen consequenties voor het onderhoud van het oppervlaktewater, noch heeft het enige wijziging tot gevolg van de functie of eigendomsrechten daarvan.
Gelet hierop treft het betoog van appellant geen doel.
2.3. Hetgeen appellant overigens in hoger beroep heeft aangevoerd kan evenmin tot het oordeel leiden dat de rechtbank het bestreden besluit niet in stand heeft kunnen laten.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.