Art. 19 WROArt. 50 lid 5 WoningwetArt. 7:12 lid 1 Awb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit bouwvergunning garage in strijd met bestemmingsplan
Appellante maakte bezwaar tegen de bouwvergunning voor een garage/berging die zonder vergunning was opgericht op een perceel in het buitengebied van Franekeradeel. Het college van burgemeester en wethouders had de vergunning verleend en het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit ongegrond.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan “Buitengebied Franekeradeel 1998”, omdat de garage was gesitueerd op een deel van het perceel met de bestemming agrarisch gebied, waar geen gebouwen voor woondoeleinden zijn toegestaan. Het college had ten onrechte aangenomen dat het bouwplan in overeenstemming was met het bestemmingsplan en daardoor onterecht de vrijstelling en bouwvergunning verleend.
De Afdeling vernietigde het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep gegrond. Het college werd opgedragen opnieuw op het bezwaarschrift te beslissen, waarbij het wordt aanbevolen te wachten op het besluit van gedeputeerde staten over het nieuwe bestemmingsplan “Buitengebied 2001”. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd, maar het griffierecht werd aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot verlening van de bouwvergunning wordt vernietigd.
Uitspraak
200205753/1.
Datum uitspraak: 29 april 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Leeuwarden van 25 september 2002 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Franekeradeel.
1. Procesverloop
Bij besluit van 25 juli 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Franekeradeel (hierna: het college) aan [vergunninghouder] met toepassing van artikel 19 vanPro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet, zoals deze bepalingen tot 3 april 2000 luidden, vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een garage/berging bij de woning op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Ried (hierna: het perceel).
Bij besluit van 5 december 2000 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 september 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door appellante ingestelde beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar
niet-ontvankelijk en het beroep gericht tegen het besluit van 5 december 2000, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 30 oktober 2002, bij de Raad van State ingekomen op 31 oktober 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 17 december 2002 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
Bij brief van 3 februari 2003 heeft appellante aanvullende stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 februari 2003, waar het college, vertegenwoordigd door R.S. Meulenaar, ambtenaar der gemeente, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat appellante geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaarschrift. Voorzover het betoog van appellante daartegen is gericht faalt dit derhalve.
2.2. Het bouwplan ziet op een reeds zonder bouwvergunning opgerichte garage/ berging van 58 m2 bij een bestaande woning.
2.3. Vast staat dat het bouwplan in strijd is met ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied Franekeradeel 1984”, daar het is geprojecteerd op dat gedeelte van het perceel waarop de bestemming “Agrarisch gebied C” rust en binnen deze bestemming geen gebouwen mogen worden gebouwd ten behoeve van de op het andere gedeelte van het perceel rustende woonbestemming.
2.4. Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college van gedeputeerde staten van Friesland in hun besluit tot afgifte van de verklaringen van geen bezwaar en het college in de beslissing op bezwaar zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de bouw van de garage/berging niet in strijd is met het bestemmingsplan “Buitengebied Franekeradeel 1998”.
2.5. Dit betoog slaagt. De Afdeling stelt vast, hetgeen door het college thans ook wordt erkend, dat het bestemmingsplan “Buitengebied Franekeradeel 1998”, dat diende als planologisch kader waarop werd vooruitgelopen, niet voorzag in een bestemming “woondoeleinden” op het gedeelte van het perceel waarop de garage/berging is gesitueerd, maar in de bestemming “agrarisch gebied”, en dat het bouwplan in strijd is met die bestemming.
Het college heeft aan de vrijstelling als bedoeld in artikel 19 vanPro de WRO dan ook ten onrechte ten grondslag gelegd dat het bouwplan in overeenstemming is met dit bestemmingsplan. Voorts heeft het college derhalve in strijd met artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet bouwvergunning verleend. Aan de gebreken in het bestreden besluit kan niet afdoen de stelling van het college dat er een inventarisatiefout is gemaakt en dat deze fout na het nemen van de beslissing op bezwaar is hersteld door het vaststellen van het bestemmingsplan “Buitengebied 2001”. Uit het vorenstaande volgt dat de beslissing op bezwaar wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dat miskend. Aan hetgeen appellante verder heeft aangevoerd komt de Afdeling niet meer toe.
2.6. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak dient te worden vernietigd, voorzover daarbij het beroep ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van appellante, voorzover gericht tegen de beslissing op bezwaar van 5 december 2000, alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het college dient opnieuw op het bezwaarschrift van appellante te beslissen, waarbij het in de rede ligt dat het college daarmee wacht, gelet op de stand van de desbetreffende procedure, totdat door gedeputeerde staten is beslist over het bestemmingsplan “Buitengebied 2001” voor zover dit ziet op het hier aan de orde zijnde perceel en dat besluit in werking is getreden.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Leeuwarden van 25 september 2002, kenmerk 00/1192 WRO19, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van het college van Franerekeradeel van 5 december 2000, kenmerk 00.33.306, ongegrond is verklaard;
III. verklaart het beroep tegen dat besluit alsnog gegrond;
IV. vernietigt dat besluit;
V. gelast dat de gemeente Franekeradeel aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht (€ 102,10 en € 165,00) vergoedt;
VI. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.