Art. 19 WROArt. 50 lid 5 WoningwetArt. 7:12 lid 1 Awb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit bouwvergunning garage in strijd met bestemmingsplan
Het college van burgemeester en wethouders van Franekeradeel verleende op 25 juli 2000 een bouwvergunning voor een garage/berging bij een woning, hoewel het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan “Buitengebied Franekeradeel 1984” en het latere plan van 1998. Appellant maakte bezwaar tegen deze vergunning, dat door het college werd afgewezen. De rechtbank Leeuwarden verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat het college en gedeputeerde staten ten onrechte hadden geoordeeld dat de bouw niet in strijd was met het bestemmingsplan. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het bouwplan inderdaad in strijd was met het bestemmingsplan, omdat de garage was gesitueerd op een perceel met de bestemming “agrarisch gebied” waar geen gebouwen voor woondoeleinden mochten worden gebouwd.
De Afdeling vernietigde daarom het bestreden besluit en oordeelde dat het college ten onrechte de bouwvergunning had verleend. Het college moet opnieuw op het bezwaar van appellant beslissen, waarbij het wordt aanbevolen te wachten op de vaststelling en inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Buitengebied 2001”. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd, maar het college moet het betaalde griffierecht aan appellant vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot verlening van de bouwvergunning wordt vernietigd.
Uitspraak
200205389/1.
Datum uitspraak: 29 april 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Leeuwarden van 25 september 2002 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Franekeradeel.
1. Procesverloop
Bij besluit van 25 juli 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Franekeradeel (hierna: het college) aan [vergunninghouder] met toepassing van artikel 19 vanPro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet, zoals deze bepalingen luidden tot 3 april 2000, vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een garage/berging bij de woning op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Ried (hierna: het perceel).
Bij besluit van 5 december 2000 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 september 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 7 oktober 2002, bij de Raad van State ingekomen op 8 oktober 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 25 november 2002 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.
Bij brief van 3 februari 2003 heeft appellant aanvullende stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 februari 2003, waar het college, vertegenwoordigd door R.S. Meulenaar, ambtenaar der gemeente, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het bouwplan ziet op een reeds zonder bouwvergunning opgerichte garage/bering van 58 m2 bij een bestaande woning.
2.2. Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied Franekeradeel 1984”, daar het is geprojecteerd op dat gedeelte van het perceel waarop de bestemming “Agrarisch gebied C” rust en binnen deze bestemming geen gebouwen mogen worden gebouwd ten behoeve van de op het andere deel van het perceel rustende woonbestemming.
2.3. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college van gedeputeerde staten van Friesland in hun besluit tot afgifte van de verklaringen van geen bezwaar en het college in de beslissing op bezwaar zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de bouw van de garage/berging niet in strijd is met het bestemmingsplan “Buitengebied Franekeradeel 1998”.
2.4. Dit betoog slaagt. De Afdeling stelt vast, hetgeen door het college thans ook wordt erkend, dat het bestemmingsplan “Buitengebied Franekeradeel 1998”, dat diende als planologisch kader waarop werd vooruitgelopen, niet voorzag in een bestemming “woondoeleinden” op het gedeelte van het perceel waarop de garage/berging is gesitueerd, maar in de bestemming “agrarisch gebied”, en dat het bouwplan in strijd is met die bestemming.
Het college heeft aan de vrijstelling als bedoeld in artikel 19 vanPro de WRO dan ook ten onrechte ten grondslag gelegd dat het bouwplan in overeenstemming is met dit bestemmingsplan. Voorts heeft het college derhalve in strijd met artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet bouwvergunning verleend. Aan de gebreken in het bestreden besluit kan niet afdoen de stelling van het college dat er een inventarisatiefout is gemaakt en dat deze fout na het nemen van de beslissing op bezwaar is hersteld door het vaststellen van het bestemmingsplan “Buitengebied 2001”. Uit het vorenstaande volgt dat de beslissing op bezwaar wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dat miskend. Aan hetgeen appellant verder heeft aangevoerd komt de Afdeling niet meer toe. Bij een beoordeling van het bezwaar dat niet tijdig op zijn bezwaarschrift is beslist, heeft appellant geen belang.
2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van appellant bij de rechtbank tegen het besluit van 5 december 2000 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het college dient opnieuw op het bezwaarschrift van appellant te beslissen, waarbij het in de rede ligt dat het daarmee wacht, gelet op de stand van de desbetreffende procedure, totdat door gedeputeerde staten is beslist over het bestemmingsplan “Buitengebied 2001” voor zover dit ziet op het hier aan de orde zijnde perceel en dat besluit in werking is getreden.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
2.7. 3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Leeuwarden van 25 september 2002, 01/31 WW44;
III. verklaart het door appellant bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond;
IV. vernietigt het besluit van het college van Franekeradeel van 5 december 2000, kenmerk 00.33.307;
V. gelast dat de gemeente Franekeradeel aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 102,10 en € 165,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.