ECLI:NL:RVS:2003:AF8593
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- J. de Koning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking geslotenverklaring Molenweg te Koningsbosch door college Echt
Appellanten, bewoners aan de Molenweg nabij de Duitse grens, maakten bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Echt om de geslotenverklaring van een gedeelte van de Molenweg in te trekken. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond en bevestigde het besluit van het college.
De arrondissementsrechtbank had eerder geoordeeld dat bij intrekking van een geslotenverklaring een verkeersbelang in de zin van artikel 2 Wegenverkeerswet Pro 1994 moet worden gediend. Het college heeft vervolgens in haar besluit van 17 juli 2001 haar motieven toegelicht en de belangen van appellanten betrokken.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat het college ruime beoordelingsmarges heeft bij verkeersbesluiten en dat de rechter slechts marginaal toetst. De belangenafweging van het college is voldoende gemotiveerd en niet onevenwichtig. De Afdeling wijst het hoger beroep van appellanten af en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De intrekking van de geslotenverklaring wordt geacht in overeenstemming met het beleid voor een autoluw buitengebied en de verkeersbelangen te zijn genomen.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellanten wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de geslotenverklaring wordt bevestigd.