ECLI:NL:RVS:2003:AF8600
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.M. Boll
- Ch.W. Mouton
- H. Borstlap
- Rechtspraak.nl
Vergunningverlening voor veilige insluiting kernenergiecentrale Dodewaard na wachttijdfase
Op 1 mei 2002 verleenden meerdere ministers een vergunning aan N.V. Gemeenschappelijke Kernenergiecentrale Nederland voor wijzigingen en bedrijfsvoering van de kernenergiecentrale Dodewaard, gericht op veilige insluiting na afvoer van splijtstof en voorafgaande aan ontmanteling.
Appellanten stelden beroep in tegen deze vergunning, met name vanwege zorgen over mogelijke nadelige gevolgen voor mens, dier, plant en goederen, en vrees voor terroristische aanslagen. Verweerders betoogden dat na afvoer van splijtstof de radioactiviteit drastisch afneemt en dat de vergunning voorschriften bevat die maximale bescherming bieden.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk was voor gronden die niet direct betrekking hadden op vrees voor nadelige gevolgen. De inspraakprocedure was correct gevolgd en de milieueffectrapportage toonde geringe milieueffecten. De veilige insluiting gedurende 40 jaar werd als verantwoord en veilig beoordeeld, mede gezien de lage stralingsdoses en het geringe risico op ernstige ongevallen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vergunning voor veilige insluiting van de kernenergiecentrale Dodewaard wordt ongegrond verklaard.