ECLI:NL:RVS:2003:AF8618
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M. Oosting
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen verplichting tot sanering en bodemonderzoek ondergrondse tank
Appellant werd door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag opgedragen om binnen drie maanden een ondergrondse huisbrandolietank opnieuw te saneren en aanvullende maatregelen te treffen conform het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998. Verweerder verlangde daarnaast een verkennend bodemonderzoek om mogelijke bodemverontreiniging vast te stellen.
Appellant stelde dat de tank vóór 1993 op de voorgeschreven wijze onklaar was gemaakt en dat aanvullende maatregelen zoals bodemonderzoek niet mochten worden opgelegd. Ook betoogde appellant dat het bodemonderzoek nutteloos was omdat de opslag al jaren geleden was beëindigd.
De Raad van State oordeelde dat verweerder bevoegd was aanvullende maatregelen te verlangen op grond van artikel 18, zesde lid van het Besluit. Een bodemonderzoek is noodzakelijk om vast te stellen of bodemverontreiniging heeft plaatsgevonden en om de bodem te beschermen. Verweerder had een zorgvuldige belangenafweging gemaakt en het beroep werd ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het besluit van verweerder bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het besluit tot sanering en bodemonderzoek van de ondergrondse tank wordt ongegrond verklaard.