ECLI:NL:RVS:2003:AF8625
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- E.M.H. Hirsch Ballin
- H.Ph.J.A.M. Hennekens
- Ch.W. Mouton
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing last onder dwangsom wegens overtreding stortverbod afvalstoffen
Appellante bracht houtachtige materialen op of in de bodem aan ter egalisering van een verondieping in een sloot, wat door de provincie Zuid-Holland werd aangemerkt als overtreding van het stortverbod op afvalstoffen. Verweerder legde daarom een last onder dwangsom op, welke appellante betwistte met het argument dat de materialen geen afvalstoffen maar grondstoffen zouden zijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de toegepaste houtachtige materialen als afvalstoffen moeten worden beschouwd, mede gelet op Europese richtlijnen en jurisprudentie, en dat appellante zich door het aanbrengen van deze stoffen op of in de bodem van afvalstoffen heeft ontdaan. De provincie was aldus bevoegd tot het opleggen van de last onder dwangsom.
Appellante voerde verder aan dat zij mocht vertrouwen op mondelinge toezeggingen van een provinciale medewerker en dat de last onder dwangsom onredelijk was. De Afdeling verwierp deze gronden, stellende dat de toezeggingen onduidelijk waren en appellante onder deze omstandigheden niet zonder meer mocht afgaan op de toezichthouder. Ook was de hoogte van de dwangsom in redelijke verhouding tot het geschonden belang.
Het beroep werd voor zover gericht tegen het besluit van 19 maart 2002 niet-ontvankelijk verklaard en voor zover gericht tegen het besluit van 19 februari 2003 ongegrond. Daarnaast werd de provincie Zuid-Holland veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom is niet-ontvankelijk dan wel ongegrond verklaard en de provincie Zuid-Holland is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.