ECLI:NL:RVS:2003:AF8940
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- C. Sparreboom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toevoeging rechtsbijstand voor zelfstandig bedrijf
Appellant heeft bij de raad voor rechtsbijstand een verzoek ingediend om toevoeging van rechtsbijstand in een procedure betreffende een gesubrogeerde geldvordering wegens het uit elkaar nemen van een oplegger op het terrein van zijn sloperij. De raad wees dit verzoek af omdat het rechtsbelang betrekking had op de uitoefening van een zelfstandig bedrijf, waarvoor geen toevoeging wordt verleend tenzij voortzetting van het bedrijf afhankelijk is van het resultaat.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn gezondheid, de aard van de vordering en de gevolgen voor hem in aanmerking genomen moesten worden voor toevoeging. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) de toevoeging in de weg stond.
De door appellant aangevoerde omstandigheden konden hieraan niet afdoen. De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de toevoeging rechtsbijstand omdat de vordering betrekking heeft op de uitoefening van een zelfstandig bedrijf.