ECLI:NL:RVS:2003:AF8963

Raad van State

Datum uitspraak
21 mei 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200205442/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • W. van den Brink
  • R.E.A. Matulewicz
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake bevoegdheid college Valkenburg ligplaatsvergunning

Het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg stelde zich onbevoegd om een vergunning te verlenen voor het innemen van een ligplaats aan een locatie in Valkenburg. Verzoeker maakte bezwaar tegen de impliciete weigering van het college om hem een vergunning te verlenen. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker gegrond en vernietigde de beslissing van het college.

Het college ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte uitging van een niet meer geldende tekst van de Algemene Plaatselijke Verordening van Valkenburg en dat het college wel bevoegd was om te beslissen over de vergunningaanvraag.

Daarom vernietigde de Afdeling de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van verzoeker ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 21 mei 2003 door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van verzoeker wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

200205442/1.
Datum uitspraak: 21 mei 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 26 september 2002 in het geding tussen:
appellant
en
[verzoeker], wonend te [woonplaats].
1. Procesverloop
Bij brief van 16 oktober 2000 heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt tegen de uit een besluit van burgemeester en wethouders van Valkenburg (hierna: het college), waarbij aan [vergunninghouder] toestemming is verleend voor het innemen van ligplaats aan de [locatie] te [plaats], blijkende impliciete weigering hem een vergunning te verlenen om aldaar ligplaats in te nemen.
Bij besluit van 15 maart 2001 heeft het college het door [verzoeker] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 26 september 2002, verzonden op 1 oktober 2002, heeft de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op van 10 oktober 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 25 november 2002 heeft [vergunninghouder] een reactie gegeven op het hoger-beroepschrift van appellant.
Bij brief van 23 december 2002 heeft [verzoeker] van antwoord gediend.
Bij brief van 13 januari 2003 heeft appellant een reactie gegeven op het antwoord van [verzoeker].
Bij brieven van 3 april 2003 heeft [verzoeker] zijn antwoord aangevuld en producties overgelegd.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. E.A. Wentink-Quelle, advocaat te Ouderkerk aan de Amstel, [verzoeker] in persoon en [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. W. Visser, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het betoog van appellant dat het oordeel van de rechtbank is gebaseerd op een niet meer geldende tekst van de Algemene Plaatselijke Verordening van Valkenburg (hierna: de APV) en dat zij derhalve ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant zich ten onrechte onbevoegd heeft geacht, slaagt. De Afdeling verwijst voor de verdere motivering naar haar uitspraak van heden inzake 200205440/1 waarin het hoger beroep van appellant zich eveneens richt tegen dit oordeel van de rechtbank. Hetgeen in die zaak is overwogen met betrekking tot de bevoegdheid van appellant om te beslissen op een aanvraag terzake van een ligplaats aan de [locatie] te [plaats] is ook in dit geding van toepassing.
2.2. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 26 september 2002, AWB 01/2959 VEROR;
II. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink w.g. Matulewicz
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2003
45-395.