ECLI:NL:RVS:2003:AF8987

Raad van State

Datum uitspraak
21 mei 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200206846/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D. Dolman
  • R.H. Lauwaars
  • H.Ph.J.A.M. Hennekens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 lid 2 WROArt. 28 WRO
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken belang bij vrijstelling civieltechnische werken

Stichting Houdt Neerbeek Leefbaar heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht die het beroep tegen de vrijstelling voor civieltechnische werken, verleend door het college van burgemeester en wethouders van Beek aan DSM Limburg B.V., ongegrond verklaarde.

Het college had op 29 oktober 2001 een vrijstelling verleend voor de aanleg van civieltechnische werken aan de Prins Mauritslaan te Beek. De rechtbank had het beroep van appellante tegen deze vrijstelling afgewezen. Vervolgens werd bij besluit van 2 juli 2002 het bestemmingsplan “Kern Neerbeek” door gedeputeerde staten goedgekeurd, waarin de aanleg van deze civieltechnische werken is toegestaan.

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in een gelijktijdige uitspraak het beroep van appellante tegen het bestemmingsplan ongegrond verklaard, waardoor het bestemmingsplan in rechte onaantastbaar is geworden. Hierdoor is de vrijstelling niet meer nodig voor de aanleg van de civieltechnische werken, waardoor appellante geen belang meer heeft bij de beoordeling van het hoger beroep.

Op grond hiervan verklaart de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en ziet zij geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van belang.

Uitspraak

200206846/1.
Datum uitspraak: 21 mei 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Stichting Houdt Neerbeek Leefbaar, gevestigd te Beek,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank te Maastricht van 20 november 2002 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Beek.
1. Procesverloop
Bij besluit van 29 oktober 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beek (hierna: het college) aan DSM Industriebeheer B.V., thans DSM Limburg B.V. (hierna: DSM), met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling verleend voor de aanleg van civieltechnische werken, deel uitmakende van de vrachtingang van DSM, gelegen aan de Prins Mauritslaan te Beek (hierna: de civieltechnische werken).
Bij besluit van 21 januari 2002 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 november 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 24 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 10 februari 2003 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.
Bij brief van 3 februari 2003 heeft DSM een reactie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [voorzitter], bijgestaan door mr. J.M.E. Kessels, advocaat te Venlo, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.J.T.H.M. Savelkoul, ambtenaar van de gemeente, bijgestaan door prof. mr. B.P.M. van Ravels, advocaat te Breda, zijn verschenen. Tevens is DSM Limburg B.V., vertegenwoordigd door mr. F.J.C.M. de Kok, advocaat te Heerlen, en [gemachtigde], gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het hoger beroep richt zich tegen de beslissing van de rechtbank waarbij het beroep van appellante tegen de bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde vrijstelling voor de civieltechnische werken ongegrond is verklaard.
2.2. Bij besluit van 2 juli 2002 hebben gedeputeerde staten, met toepassing van artikel 28 van Pro de WRO, het bestemmingsplan “Kern Neerbeek” goedgekeurd. De aanleg van de civieltechnische werken is op grond van dit bestemmingsplan toegestaan.
Bij uitspraak van heden, inzake nr. 200204495/1, heeft de Afdeling het beroep van appellante tegen het besluit van gedeputeerde staten van 2 juli 2002 ongegrond verklaard. Met deze uitspraak is het bestemmingsplan in rechte onaantastbaar geworden.
Thans zou derhalve voor de aanleg van de civieltechnische werken geen gebruik meer behoeven te worden gemaakt van de door het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO verleende vrijstelling.
2.3. Uit het vorenstaande volgt dat appellante geen belang meer heeft bij de beoordeling van het hoger beroep.
2.4. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.
w.g. Dolman w.g. Van Meurs-Heuvel
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2003
47-429.