AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging weigering bouwvergunning voor mestplaat op perceel met bestemming openbaar groen
Het college van burgemeester en wethouders van Emmen verleende aanvankelijk een bouwvergunning voor het oprichten van een mestplaat op een perceel met de bestemming 'Openbaar groen'. Na bezwaar van een derde werd deze vergunning ingetrokken. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij onterecht voorschriften van een andere bestemming toepaste.
Appellant stelde in hoger beroep dat het college ten onrechte het bezwaar van de derde als ontvankelijk had beschouwd, maar dit werd verworpen omdat het bezwaar tijdig was ingediend. De Raad overwoog dat het oprichten van de mestplaat niet verenigbaar is met de bestemming 'Openbaar groen', ook al ontbreken specifieke voorschriften in het bestemmingsplan.
De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank, zij het op andere gronden, en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de bouwvergunning bevestigd.
Uitspraak
200206599/1.
Datum uitspraak: 11 juni 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Assen van 31 oktober 2002 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Emmen.
1. Procesverloop
Bij besluit van 12 juli 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Emmen (hierna: het college ) aan appellant bouwvergunning verleend voor het oprichten van een mestplaat op het perceel aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 4 maart 2002 heeft het college het daartegen door [partij] gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de bouwvergunning alsnog geweigerd.
Bij uitspraak van 31 oktober 2002, verzonden op 5 november 2002, heeft de rechtbank te Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 december 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 9 januari 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 3 februari 2003 heeft het college van antwoord gediend.
Bij brief van 6 februari 2003 heeft [partij] een memorie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. A.J. Poelman, en het college, vertegenwoordigd door mr. W. van Dommelen-Logtmeijer, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Tevens is [partij] in persoon, bijgestaan door mr. M.R. de Jongh, verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ter zitting heeft appellant betoogd dat de brief van [partij] van 9 juni 2001, gelet op artikel 6:10 vanPro de Algemene wet bestuursrecht, bij de beslissing op bezwaar ten onrechte als bezwaarschrift is ontvangen.
Dit betoog faalt. Het gaat er aan voorbij dat [partij] bij brief, ontvangen door het college op 22 augustus 2001, tijdig bezwaar heeft gemaakt.
2.2. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een betonnen bak, bedoeld voor de niet bedrijfsmatige opslag van paardenmest (hierna: het bouwwerk).
2.3. Het perceel heeft ingevolge het als bestemmingsplan geldende “Uitbreidingsplan in onderdelen Emmen Zuidbarge” (hierna: het uitbreidingsplan) de bestemming “Openbaar groen”.
2.4. Appellant betoogt met juistheid dat de rechtbank, nu het uitbreidingsplan geen voor de bestemming “Openbaar groen” geldende voorschriften kent, op de bestemming ten onrechte de voor de bestemming “Wegen en plantsoenen” geldende voorschriften van toepassing heeft geacht.
De bestemming kan echter, ook indien daarvoor geen voorschriften in het bestemmingsplan zijn opgenomen, ingevolge artikel 44 vanPro de Woningwet aan het verlenen van een bouwvergunning in de weg staan. Anders dan appellant betoogt, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het oprichten van een mestplaat zich niet met de voormelde bestemming verdraagt. De rechtbank is daarom, zij het niet op juiste gronden, tot de juiste conclusie gekomen.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop die rust, te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.