ECLI:NL:RVS:2003:AG1717

Raad van State

Datum uitspraak
18 juni 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200205079/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 1:3 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak inzake weigering gedogen softdrugsactiviteiten door burgemeester Stadskanaal

Bij besluit van 24 september 2001 besloot de burgemeester van Stadskanaal niet over te gaan tot handhaving van artikel 13b van de Opiumwet ten aanzien van Stichting Wiz-Art en gaf appellant een overgangstermijn van een jaar om zijn softdrugsactiviteiten te staken. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 7 februari 2002 ongegrond werd verklaard.

De rechtbank te Groningen verklaarde het beroep van appellant gegrond voor wat betreft de ingangsdatum van de overgangstermijn en vernietigde het besluit op dat punt, maar verklaarde het beroep verder ongegrond. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het besluit van de burgemeester mede als een weigering tot gedogen moet worden opgevat, maar dat een dergelijke weigering, behoudens bijzondere gevallen, niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro kan worden aangemerkt. Er was geen sprake van een bijzonder geval, omdat geen concrete gronden voor een rechtsplicht tot gedogen waren aangetoond.

Voorts was gebleken dat de burgemeester de door appellant verstrekte informatie in zijn besluitvorming had betrokken en dat de belangen van appellant zorgvuldig waren afgewogen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200205079/1.
Datum uitspraak: 18 juni 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Groningen van 27 augustus 2002 in het geding tussen:
appellant
en
de burgemeester van Stadskanaal.
1. Procesverloop
Bij besluit van 24 september 2001 heeft de burgemeester van Stadskanaal (hierna: de burgemeester) besloten dat ten aanzien van de Stichting Wiz-Art niet zal worden overgegaan tot handhaving van artikel 13b van de Opiumwet. Bij brief van 24 september 2001 heeft de burgemeester het voorgaande aan appellant kenbaar gemaakt, alsmede aan hem medegedeeld dat met ingang van 1 september 2001 appellant een jaar de tijd krijgt om zijn activiteiten, waarbij softdrugs worden aangeboden, te staken.
Bij besluit van 7 februari 2002 heeft de burgemeester het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 augustus 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard voor wat betreft de ingangsdatum van de overgangstermijn, de bestreden beslissing op bezwaar in zoverre vernietigd en met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat het in deze uitspraak ten aanzien van die ingangsdatum overwogene in de plaats treedt van het vernietigde besluit, en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 september 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 oktober 2002. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 8 november 2002 heeft de burgemeester van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. M.D. Siegfried, advocaat te Den Haag, en de burgemeester, vertegenwoordigd door G.V. Buissink en P.J. Arkema, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Namens de Stichting Wiz-Art is Y. Slikker, directeur-coördinator van de Stichting, verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat, voorzover het besluit van de burgemeester van 24 september 2001 opgevat zou moeten worden als weigering de coffeeshop van appellant (langer) te gedogen, geen sprake is van een daaraan ten grondslag liggend besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voorts betoogt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat de burgemeester de door appellant verstrekte informatie van 22 augustus 2001 niet bij zijn besluitvorming heeft betrokken en dat de burgemeester de belangen van appellant dienaangaande niet in voldoende mate heeft gewogen.
2.2. De Afdeling is van oordeel dat het besluit van 24 september 2001 mede opgevat dient te worden als een weigering van de burgemeester de coffeeshop van appellant te gedogen. Een dergelijke weigering kan behoudens in bijzondere gevallen niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb. Van een bijzonder geval is onder meer sprake, indien aan het verzoek om een gedoogverklaring zeer klemmende, concrete gronden voor het aannemen van een rechtsplicht tot gedogen ten grondslag liggen. In het onderhavige geval is daarvan niet gebleken, zodat geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan geen sprake zijn van een bijzonder geval indien de weigering te gedogen dient te worden aangemerkt als een weigering van de burgemeester om van het terzake gevoerde gedoogbeleid af te wijken. De weigering van de burgemeester om een beroep op de in het gedoogbeleid vervatte aanspraken te erkennen, leidt dan ook niet tot het oordeel dat sprake is van een besluit in vorenbedoelde zin.
2.3. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat niet is gebleken dat de burgemeester de door appellant verstrekte informatie van 22 augustus 2001 niet in zijn besluitvorming heeft betrokken en dat de belangen van appellant in die zin niet voldoende zijn afgewogen. Uit de stukken is gebleken dat de burgemeester in de voorbereiding van het bestreden besluit voldoende aandacht heeft besteed aan de belangen van appellant, zodat sprake is van een zorgvuldige voorbereiding. Hetgeen appellant terzake in hoger beroep aanvoert, leidt niet tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank.
2.4. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden, te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Dijk w.g. Broodman
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2003
91-421