ECLI:NL:RVS:2003:AH8617

Raad van State

Datum uitspraak
25 juni 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200203939/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
  • C. Taal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergunning voor opslag van meststoffen en de beoordeling van afvalstoffen onder de Wet milieubeheer

In deze zaak gaat het om de vergunningverlening door het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland voor het opslaan van meststoffen in mestzakken, verleend op 29 april 2002. De vergunning is verleend aan een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, hierna appellante sub 2, voor het opslaan van meststoffen op een perceel in de gemeente Wissenkerke. Het besluit is op 13 juni 2002 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben twee appellanten, waaronder appellant sub 1, beroep ingesteld bij de Raad van State. De zitting vond plaats op 10 april 2003, waar beide appellanten en de verweerder vertegenwoordigd waren.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar overwegingen vastgesteld dat de aanvraag betrekking heeft op de opslag van meststoffen in twee mestzakken, waarvan één voor dierlijke mest en de andere voor overige organische meststoffen. De Afdeling heeft daarbij de relevante Europese richtlijnen en nationale wetgeving in acht genomen, met name de definitie van afvalstoffen en de voorwaarden waaronder meststoffen als zodanig kunnen worden aangemerkt.

De Afdeling concludeert dat de aanvraag niet voldoende informatie bevatte om te beoordelen of de stoffen die in de mestzakken worden opgeslagen, al dan niet als afvalstoffen moeten worden aangemerkt. Dit gebrek aan informatie leidt tot de conclusie dat verweerder niet in redelijkheid kon oordelen dat hij het bevoegde gezag was voor de vergunningverlening. De beroepen van appellanten zijn gegrond verklaard, het besluit van de gemeente is vernietigd en de gemeente is veroordeeld in de proceskosten van de appellanten. De uitspraak is gedaan in naam der Koningin op 25 juni 2003.

Uitspraak

200203939/1.
Datum uitspraak: 25 juni 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],
2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 29 april 2002 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 2] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting ten behoeve van het opslaan in mestzakken van meststoffen in het kader van het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen en het Besluit gebruik dierlijke meststoffen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Wissenkerke. Dit besluit is op 13 juni 2002 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 18 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen per telefaxbericht van dezelfde datum, en appellante sub 2 bij brief van 22 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2002, beroep ingesteld. Appellante sub 2 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 22 augustus 2002.
Bij brief van 31 oktober 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 11 februari 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2003, waar appellant sub 1, vertenwoordigd door mr. G.L.M. Teeuwen, gemachtigde,
appellante sub 2, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. D. Melis-Dingemanse en mr. B.C.C. Melis, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Er zijn nog stukken ontvangen van appellanten sub 1 en sub 2. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.
2. Overwegingen
2.1. De Afdeling stelt vast dat de aanvraag betrekking heeft op opslag van meststoffen in twee mestzakken. In de ene mestzak wordt dierlijke mest opgeslagen als bedoeld in het Besluit gebruik dierlijke meststoffen en in de andere overige organische meststoffen als bedoeld in het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen. De mestzakken hebben elk een capaciteit van 1.200 m3.
2.2. In artikel 1, aanhef en onder a, van de Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/156 EEG (hierna: de Richtlijn), is bepaald dat onder afvalstof wordt verstaan elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.
2.3. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) heeft in zijn arrest van 18 december 1997 in de zaak C-126/96 (Inter-Environment Wallonië) geoordeeld dat het toepassingsgebied van het begrip afvalstof afhangt van de betekenis van de term “zich ontdoen van”. Voorts heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn arrest van 15 juni 2000, gevoegde zaken C-418/97 en 419/97 (AB 2000, 311) voor recht verklaard dat de vraag of sprake is van een afvalstof moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling van de Richtlijn en er voor moet worden gewaakt dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan. Het Hof heeft in genoemd arrest overwogen dat de omstandigheid dat een bepaalde stof een productieresidu is, een aanwijzing vormt voor een handeling, een voornemen of een verplichting om zich van die stof te ontdoen in de zin van artikel 1, sub a, van de Richtlijn en dat er dus sprake zou kunnen zijn van een afvalstof.
2.4. Het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen bevat regels inzake de kwaliteit en het gebruik van overige organische meststoffen. Blijkens dit besluit kunnen onder overige organische meststoffen worden verstaan zuiveringsslib, compost en zwarte grond.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder a van het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen wordt onder zuiveringsslib verstaan:
1o slib dat geheel of in hoofdzaak afkomstig is van een installatie voor de zuivering van huishoudelijk, stedelijk, industrieel dan wel ander afvalwater van soortgelijke samenstelling als huishoudelijk, stedelijk en industrieel afvalwater;
2o slib dat geheel of in hoofdzaak afkomstig is van sceptictanks en andere installaties voor de verzameling, afvoer en behandeling van afvalwater met uitzondering van vet- en zandvangers.
2.5. In categorie 28 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer is onder 28.4, onder a, sub 2, voorzover hier van belang bepaald dat gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voorzover het betreft inrichtingen bestemd voor het opslaan van afvalstoffen, bestaande uit van buiten de inrichting afkomstige zuiveringsslib, kolenreststoffen of afvalgips met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.103 m3 of meer.
2.6. De Afdeling overweegt dat, gelet op de aanvraag in samenhang met het bepaalde in het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen, niet kan worden uitgesloten dat in de mestzak bestemd voor het opslaan van overige organische meststoffen, zuiveringsslib wordt opgeslagen. Gelet op de definitie van het begrip zuiveringsslib in het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen acht de Afdeling niet uitgesloten dat dergelijk zuiveringsslib als afvalstof dient te worden aangemerkt. In dat geval is, gelet op het bepaalde in categorie 28, onder 28.4 onder a, sub 2, niet verweerder, maar het college van gedeputeerde staten van Zeeland het bevoegde gezag om de gevraagde vergunning te verlenen.
2.6.1. Uit de aanvraag blijkt niet welke stoffen in de mestzak die is bestemd voor opslag van meststoffen in het kader van het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen, worden opgeslagen en waarvandaan deze stoffen afkomstig zijn. Gelet hierop kan, bezien in het licht van voornoemde arresten van het Hof op grond van de aanvraag, niet worden beoordeeld of hierin afvalstoffen, zoals bedoeld in artikel 1, onder a, van de richtlijn als meststoffen worden opgeslagen.
2.6.2. Vanwege het in de aanvraag ontbreken van deze informatie en nu verder niet is gebleken dat de aanvraag op deze onderdelen is aangevuld, heeft verweerder niet in redelijkheid kunnen oordelen dat de aanvraag voldoende informatie bevat om te beoordelen of hij het bevoegd gezag is. Door niettemin inhoudelijk te beslissen op de aanvraag heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaart.
2.7. De beroepen van appellanten sub 1 en sub 2 zijn reeds hierom gegrond. De beroepsgronden behoeven geen bespreking. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.
2.8. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland van 29 april 2002;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland in de door appellant sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de door appellante sub 2 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 694,57, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de bedragen dienen door de gemeente Noord-Beveland te worden betaald aan appellanten;
IV. gelast dat de gemeente Noord-Beveland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00 voor appellant sub 1 en € 218,00 voor appellante sub 2) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.
w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Taal
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2003
325.