ECLI:NL:RVS:2003:AH9031

Raad van State

Datum uitspraak
2 juli 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200206840/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • E.A. Alkema
  • E.M.H. Hirsch Ballin
  • M.G.J. Parkins-de Vin
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.5.14 BouwverordeningArt. 47 Woningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank over niet-aanvraag bouwvergunning en niet-ontvankelijkheid bezwaar

Het college van burgemeester en wethouders van Bellingwedde wees het verzoek van appellant om medewerking voor de bouw van vrijstaande woningen op een perceel af. Appellant stelde bezwaar en vervolgens beroep in tegen deze afwijzing. De rechtbank te Groningen oordeelde dat het verzoek geen aanvraag om bouwvergunning betrof en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk.

Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State, stellende dat het verzoek wel als bouwaanvraag moest worden beschouwd en dat het college ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard. De Raad van State overwoog dat het verzoek om medewerking in algemene bewoordingen was gedaan zonder nadere projectomschrijving en dat appellant in een latere brief vroeg om een bestemmingsplan om woningbouw mogelijk te maken.

Daarom was het verzoek geen aanvraag om bouwvergunning en kon het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Ook was er geen sprake van een van rechtswege verleende bouwvergunning. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200206840/1.
Datum uitspraak: 2 juli 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Groningen van 11 november 2002 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Bellingwedde.
1. Procesverloop
Bij brief van 8 maart 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bellingwedde (hierna: het college) het verzoek van appellant om medewerking te verlenen aan de bouw van een aantal vrijstaande woningen op het perceel aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) afgewezen.
Bij besluit van 2 augustus 2001 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 november 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 januari 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 5 maart 2003 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 mei 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. W.B. van den Berg, advocaat te Meppel, en het college, vertegenwoordigd door R. Kampyon en R.D. de Voogd, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het college het verzoek van appellant van 5 september 2000 ten onrechte heeft aangemerkt als een aanvraag om bouwvergunning.
2.2. Appellant heeft in de brief van 5 september 2000 de medewerking van het college verzocht voor de bouw van een aantal vrijstaande woningen op het perceel. Het verzoek om medewerking is in algemene bewoordingen gedaan, terwijl iedere nadere omschrijving van het te realiseren project ontbreekt. In de toelichting op dit verzoek bij brief van 20 december 2000 vraagt appellant om voor het betreffende perceel een bestemmingsplan vast te stellen, teneinde woningbouw op het perceel planologisch mogelijk te maken.
Gelet hierop heeft rechtbank terecht geoordeeld dat de brief van 5 september 2000 niet valt aan te merken als een bouwaanvraag. Evenmin kan hierin een verzoek worden gezien om op grond van artikel 2.5.14 van de bouwverordening vrijstelling te verlenen voor de overschrijding van de achtergevelrooilijn, zoals appellant betoogt.
2.3. De reactie van het college op dit verzoek bij brief van 8 maart 2001 is dan ook geen besluit waartegen een bezwaarschrift kan worden ingediend. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk had moeten verklaren en heeft de beslissing op bezwaar op die grond terecht vernietigd.
2.4. Nu er geen aanvraag om bouwvergunning is ingediend, is er geen reden voor het oordeel dat het college appellant in de gelegenheid had moeten stellen de - niet bestaande - aanvraag aan te vullen overeenkomstig artikel 47 van Pro de Woningwet, zoals deze wet luidde vóór 1 januari 2003. Anders dan appellant heeft betoogd, kan van een van rechtswege verleende bouwvergunning dan ook geen sprake zijn.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Alkema, Voorzitter, en mr. E.M.H. Hirsch Ballin en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.
w.g. Alkema w.g. Wilbers-Taselaar
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2003
71-429.