ECLI:NL:RVS:2003:AH9085

Raad van State

Datum uitspraak
23 juni 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200303364/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • K. Brink
  • J.J. den Broeder
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening inzake de uitvoer van afvalstoffen naar Duitsland

In deze zaak heeft de Raad van State op 23 juni 2003 uitspraak gedaan over een verzoek om een voorlopige voorziening met betrekking tot de uitvoer van afvalstoffen door de besloten vennootschap Collin B.V. naar Duitsland. Verweerder, de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, had bezwaar gemaakt tegen het voornemen van verzoekster om afvalstoffen uit te voeren, omdat volgens hem niet voldaan werd aan de vereisten van de Verordening 259/93/EEG. Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen dit besluit en verzocht de Voorzitter om een voorlopige voorziening te treffen. Tijdens de zitting op 12 juni 2003 werd het verzoek behandeld, waarbij verzoekster werd vertegenwoordigd door haar advocaat, mr. M.J.A.M. Muijres, en verweerder door ambtenaren van het ministerie.

De Voorzitter overwoog dat het bezwaar van verweerder voornamelijk gebaseerd was op het feit dat verzoekster niet beschikte over een sorteerinstallatie, wat volgens verweerder zou betekenen dat de samenstelling van de afvalstoffen niet gegarandeerd kon worden. Verzoekster betoogde echter dat de afvalstoffen wel degelijk gesorteerd werden, zowel bij de bron als op haar terrein, en dat zij contractuele afspraken had gemaakt met haar leveranciers om dit te waarborgen. De Voorzitter concludeerde dat het enkele feit dat verzoekster geen sorteerinstallatie had, onvoldoende was om te stellen dat de afvalstoffen niet aan de vereisten van de algemene kennisgeving zouden voldoen.

De Raad van State besloot om het besluit van de Staatssecretaris te schorsen en veroordeelde hem in de proceskosten van verzoekster. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering en onderzoek naar de relevante feiten door de bestuursautoriteiten, in overeenstemming met de Algemene wet bestuursrecht. De voorlopige voorziening werd getroffen tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met de mogelijkheid tot verlenging indien nodig.

Uitspraak

200303364/1.
Datum uitspraak: 23 juni 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ""Collin B.V."", gevestigd te Venlo,
verzoekster,
en
de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 10 april 2003 heeft verweerder krachtens artikel 28, eerste lid, van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en vanuit de Europese gemeenschap (hierna: de Verordening), bezwaar gemaakt tegen het voornemen van verzoekster om afvalstoffen, zoals omschreven in het kennisgevingsformulier met kenmerk NL 101840, uit te voeren naar Duitsland.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 23 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 juni 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. M.J.A.M. Muijres, advocaat te Roermond, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.M.A.W. Flendrie en drs. A.J.C.W.M. de Kort, ambtenaren van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ter zitting heeft verzoekster haar verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening beperkt tot de bezwaargronden inzake de toepassing van de procedure van algemene kennisgeving als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Verordening.
2.2. De kennisgeving ziet blijkens voornoemd kennisgevingsformulier op het in de periode van 1 mei 2003 tot en met 1 mei 2004 overbrengen van 50.000.000 kg gemengde materialen, bestaande uit hout, kunststoffen, verpakkingsmaterialen, karton, papier en metalen naar Kreis Weseler Abfallgesellschaft GmbH&CoKG te Duitsland. Verzoekster heeft de verwerkingswijze van deze afvalstoffen op het formulier aangeduid als een handeling van nuttige toepassing als bedoeld in de bij de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschap van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (75/442/EEG), zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG, behorende bijlage IIB, onder R1.
2.3. Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit bezwaar gemaakt tegen het voornemen van verzoekster om de genoemde afvalstoffen uit te voeren met toepassing van de procedure van algemene kennisgeving als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Verordening, omdat volgens hem niet wordt voldaan aan de daarvoor gestelde vereisten. Verweerder stelt zich, mede gelet op het bepaalde in paragraaf 12.6 van het Landelijk afvalbeheerplan 2002 – 2012 (hierna: het LAP), op het standpunt dat niet gegarandeerd kan worden dat iedere afzonderlijke overbrenging van afvalstoffen over dezelfde fysische en chemische eigenschappen beschikt. Uit het door verzoekster bij de kennisgeving gevoegde sorteerschema volgt immers, zo stelt verweerder, dat de diverse fracties op verschillende manieren door het sorteerproces worden geleid, menging van eerder afgescheiden (deel)stromen met de fractie mogelijk is en bepaalde (deel)stromen in het geheel geen sortering ondergaan. Ter zitting heeft verweerder hierbij aangevoerd dat verzoekster niet beschikt over een sorteerinstallatie.
2.4. Verzoekster is echter van mening dat de procedure van algemene kennisgeving kan worden gevolgd. Zij voert hierbij onder andere aan dat zij weliswaar niet over een sorteerinstallatie beschikt, maar dat dit niet betekent dat er geen voorsortering plaatsvindt. Zij stelt dat alle (deel)stromen sortering ondergaan. Ook betoogt zij dat de sortering van de afvalstoffen bij voorkeur reeds bij de bron plaatsvindt en dat dit contractueel met haar leveranciers is vastgelegd. In dit verband wijst zij erop dat eerdere bezwaren van verweerder tegen vergelijkbare kennisgevingen geen stand hebben gehouden. Bovendien is zij van mening dat de aanscherping van het beleid, zoals dit thans is neergelegd in het LAP, geen garantie biedt dat de afvalstoffen dezelfde fysische en chemische samenstelling hebben. Verder meent verzoekster dat verweerder zich ten onrechte op paragraaf 12.6 van het LAP heeft gebaseerd.
2.5. Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de EVOA kan, met inachtneming van zijn verplichtingen uit hoofde van de toepasselijke artikelen 3, 6, 9, 15, 17, 20, 22, 23 en 24 de kennisgever gebruik maken van een procedure van algemene kennisgeving, wanneer voor verwijdering of nuttige toepassing bestemde afvalstoffen met dezelfde fysische en chemische eigenschappen periodiek via dezelfde route naar dezelfde ontvanger worden overgebracht. Indien deze route wegens onvoorziene omstandigheden niet kan worden gevolgd, brengt de kennisgever de betrokken bevoegde autoriteiten daarvan op de hoogte, zo spoedig mogelijk of voordat de overbrenging begint, indien de noodzaak van routewijziging op dat moment al bekend is. Wanneer de routewijziging bekend is voordat de overbrenging begint, en inhoudt dat andere autoriteiten bevoegd zijn dan die waarvan sprake is in de algemene kennisgeving, wordt deze procedure niet gebruikt.
Ingevolge artikel 28, derde lid, van de EVOA verbinden de betrokken bevoegde autoriteiten aan hun instemming met het gebruik van deze procedure van algemene kennisgeving de voorwaarde dat naderhand aanvullende gegevens worden verstrekt. Indien de samenstelling van de afvalstoffen niet met de kennisgeving overeenkomt of de aan de overbrenging gestelde voorwaarden niet in acht worden genomen, trekken de betrokken bevoegde autoriteiten hun toestemming voor deze procedure in via een officiële mededeling aan de kennisgever. Aan de andere betrokken bevoegde autoriteiten wordt een afschrift van deze mededeling gezonden.
2.6. In paragraaf 12.6 van het LAP komt de vraag aan de orde of de in- en uitvoer van afvalstoffen mogelijk is op basis van een kennisgeving per transport of op basis van een algemene kennisgeving voor meerdere transporten. In het geval van een algemene kennisgeving voor meerdere transporten is in voornoemde paragraaf van het LAP bepaald dat een partij afvalstoffen met dezelfde fysische en chemische samenstelling in verschillende vrachten kan worden bereikt door de afvalstoffen systematisch te sorteren. Een systematische sortering kan worden bereikt door de afvalstoffen over een sorteerinstallatie te leiden die ten minste voorziet in scheiding van (zeef)zand, steenachtig materiaal, herbruikbare monostromen, zoals hout of metaal, en niet-herbruikbare residu. Voorts is in voornoemde paragraaf van het LAP bepaald dat wanneer de kennisgever een partij afvalstoffen met dezelfde fysische en chemische samenstelling in afzonderlijke vrachten wil bereiken door scheiding aan de bron gevolgd door selectieve inzameling, hij zal moeten aantonen dat hij de ontdoener contractueel verplicht om zijn afvalstoffen gescheiden aan te bieden en dat hij de afvalstoffen selectief inzamelt.
2.7. Het geschil spitst zich naar het oordeel van de Voorzitter toe tot de vraag of de uitvoer van de onderhavige afvalstoffen mogelijk is met een algemene kennisgeving als bedoeld in artikel 28 van de Verordening.
Niet gebleken is dat verweerder bezwaar heeft tegen de aanwezigheid van verschillende fracties van afvalstoffen in een partij. Verweerder heeft zijn bezwaar tegen toepassing van de procedure van algemene kennisgeving derhalve alleen gebaseerd op de grond dat niet gegarandeerd is dat de samenstelling van de afvalstoffen overeenkomt met het gestelde in de kennisgeving omdat verzoekster niet beschikt over een sorteerinstallatie.
De Voorzitter is, mede gelet op het bepaalde in paragraaf 12.6 van het LAP zoals hiervoor is weergegeven, van oordeel dat het enkele feit dat de inrichting niet beschikt over een sorteerinstallatie onvoldoende is om op voorhand vast te stellen dat de afvalstoffen niet aan de algemene kennisgeving zullen voldoen. Te meer nu uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat het merendeel van de afvalstoffen die verzoekster inzamelt reeds gesorteerd worden bij de bron en dat zij hierover contractuele afspraken heeft gemaakt met haar leveranciers. Voorts heeft verzoekster ter zitting gesteld dat daar waar nodig op het terrein van de inrichting de afvalstoffen, weliswaar niet met een sorteerinstallatie, zowel manueel als mechanisch (verder) worden gesorteerd. Verweerder heeft ook de inrichting niet bezocht om vast te stellen dat de sortering die plaatsvindt in de inrichting van verzoekster onvoldoende is om te kunnen voldoen aan de kennisgeving. De Voorzitter is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht ingevolge waarvan verweerder onderzoek dient te doen naar de relevante feiten en het bestreden besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.
2.8. De Voorzitter ziet aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek behoeft voor het overige geen bespreking.
2.9. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 10 april 2003 tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;
II. veroordeelt de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) te worden betaald aan verzoekster;
III. gelast dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Den Broeder
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2003
159-374.