ECLI:NL:RVS:2003:AI0198

Raad van State

Datum uitspraak
23 juli 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200203489/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WvgArt. 6 WvgArt. 10-24 WvgArt. 26 WvgArt. 27 Wvg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij aanwijzing voorkeursrecht

De raad van de gemeente Best heeft op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) percelen aangewezen waarop voorkeursrechten rusten. Appellante maakte bezwaar tegen dit aanwijzingsbesluit, dat door de raad ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellante beroep in bij de rechtbank, dat eveneens ongegrond werd verklaard.

Appellante stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de procedure bleek dat de raad op 30 september 2002 een nieuw aanwijzingsbesluit had genomen voor percelen binnen het bestemmingsplan “Dijkstraten-Zuid”, waaronder die van appellante. Hierdoor bleef het voorkeursrecht op deze gronden rusten.

De Afdeling oordeelde dat appellante door dit nieuwe besluit geen schade heeft geleden en daardoor geen rechtens te honoreren belang meer heeft bij de beoordeling van het hoger beroep. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellante terugbetaald.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

200203489/1.
Datum uitspraak: 23 juli 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 25 april 2002 in het geding tussen:
appellante
en
de raad van de gemeente Best.
1. Procesverloop
Bij besluit van 1 mei 2000 heeft de raad van de gemeente Best (hierna: de raad) op grond van artikel 2 van Pro de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: Wvg) een aantal nader aangegeven percelen aangewezen als gronden waarop de artikelen 10-24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn.
Bij besluit van 31 oktober 2000 heeft de raad het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 25 april 2002, verzonden op 1 mei 2002, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juni 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 juli 2002. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 6 september 2002 heeft de raad van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 januari 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Kusters, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Er zijn nog stukken ontvangen van de raad. Deze zijn door de raad ook aan appellante toegezonden. Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.
2. Overwegingen
2.1. Gebleken is dat op 26 april 2002 publicatie heeft plaatsgevonden van de ter inzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan “Dijkstraten-Zuid” en dat als gevolg daarvan met toepassing van artikel 6 van Pro de Wvg een voorkeursrecht op de onderhavige gronden is blijven rusten. Op 30 september 2002 heeft de raad een nieuw aanwijzingsbesluit op grond van artikel 2 van Pro de Wvg genomen met betrekking tot die percelen die binnen het bestemmingsplan “Dijkstraten-Zuid” vallen, waaronder die van appellante. Niet is gebleken dat appellante als gevolg van het bestreden aanwijzingsbesluit schade heeft geleden. Het vorenstaande kan tot geen andere gevolgtrekking leiden dan dat appellante geen rechtens te honoreren belang meer heeft bij de beoordeling van het hoger beroep.
2.2. Het hoger beroep moet derhalve vanwege het ontbreken van het vereiste procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.
2.3. Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het griffierecht door de Secretaris van de Raad van State aan appellante wordt terugbetaald.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 327,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.
w.g. De Gooijer w.g. Zwemstra
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2003
45-395.