ECLI:NL:RVS:2003:AI0218
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- M. Oosting
- H.Ph.J.A.M. Hennekens
- H. Borstlap
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vergunning ondergrondse afvalcontainers wegens onvoldoende geluidsbescherming
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam verleende op 5 juni 2002 een vergunning voor het plaatsen en gebruiken van ondergrondse afvalcontainers nabij woningen in Amsterdam-Noord. De appellanten, een belangenvereniging van huiseigenaren, stelden beroep in tegen deze vergunning vanwege milieuhygiënische bezwaren, waaronder geluidsoverlast, stank, verkeershinder en zwerfvuil.
De Raad voor de Rechtspraak stelde vast dat de vergunning op milieugrondslag moest worden beoordeeld. Het deskundigenbericht bevestigde dat de vergunning voldoende bescherming bood tegen stank, ongedierte en zwerfvuil, maar wees op tekortkomingen bij de geluidsvoorschriften. De geluidsnormen waren gebaseerd op een woonwijk met meer verkeer dan de feitelijke rustige woonwijk, en op dagen van containerwissel werd niet aan de normen voldaan.
De Raad oordeelde dat het besluit in strijd was met de zorgvuldigheidseis van artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat onvoldoende kennis was vergaard over de geluidsaspecten. Daarom werd het gehele besluit vernietigd. Tevens werd de gemeente veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van het griffierecht aan appellanten.
Uitkomst: Het besluit tot vergunningverlening voor ondergrondse afvalcontainers wordt vernietigd wegens onvoldoende geluidsbescherming.