ECLI:NL:RVS:2003:AI0403

Raad van State

Datum uitspraak
10 juli 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200302569/1 en 200302569/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 92 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeer naar relatief veilig deel van Somalië in asielprocedure

Appellante had beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel door de staatssecretaris van Justitie. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Raad van State.

De kern van het geschil betrof de vraag of terugkeer naar het relatief veilige deel van Somalië als een situatie van bijzondere hardheid kon worden aangemerkt, mede gelet op toegangsbeletselen die de toegang tot dat gebied tijdelijk zouden kunnen verhinderen. Appellante stelde dat deze toegangsbeletselen door de staatssecretaris betrokken hadden moeten worden bij de beoordeling.

De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had overwogen dat de staatssecretaris niet gehouden was deze toegangsbeletselen mee te wegen, maar dat dit geen vernietiging van de uitspraak rechtvaardigde. Uit beschikbare informatie, waaronder brieven van de Minister van Somaliland en het Britse Home Office, kon niet worden afgeleid dat de toegangsbeletselen zodanig waren dat terugkeer in algemene zin van bijzondere hardheid was.

Daarom werd het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

Raad
van State
200302569/1 en 200302569/2.
Datum uitspraak: 10 juli 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, op het hoger beroep van:
[appellante],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 13 maart 2003 in het geding tussen:
appellante
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 26 februari 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellante om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 13 maart 2003, verzonden op 26 maart 2003, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 22 april 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 7 mei 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een reactie ingediend.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juni 2003, heeft appellante de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Deze brief is aangehecht.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de grieven 1 en 2, in hun onderlinge samenhang gelezen, klaagt appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat haar terugkeer naar het relatief veilige deel van Somalië in verband met de algehele situatie aldaar niet van bijzondere hardheid is en dat de staatssecretaris bij dat oordeel niet is gehouden toegangsbeletselen te betrekken.
2.1.1. De grieven klagen in zoverre terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris niet gehouden is eventuele toegangsbeletselen te betrekken bij de vraag of al dan niet een categoriaal beschermingsbeleid dient te worden gevoerd, nu de gestelde toegangsbeletselen deel uitmaken van de beschikbare informatie over en van invloed zijn op de door de staatssecretaris te beoordelen algehele situatie in het land van herkomst. De grieven leiden echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 juni 2003 in zaak nr. 200302075/1, ter voorlichting van partijen aangehecht) bestaat, indien uit de in beroep ingeroepen brief van de Minister of Resettlement, Rehabilitation and Reconstruction van de Republic van Somaliland van 14 december 2002 en de Operational Guidance Note van het Britse Home Office van 29 oktober 2002 al zou moeten worden afgeleid dat bepaalde gebieden van het relatief veilige deel van Somalië via de buitengrenzen tijdelijk niet toegankelijk zijn, geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris gelet op de beschikbare informatie ten aanzien van minderheidsgroepen niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat terugkeer naar het relatief veilige deel van Somalië in verband met de algehele situatie aldaar in zijn algemeenheid niet van bijzondere hardheid is.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waar die op rust, te worden bevestigd.
2.3. Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als Voorzitter,
in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.
w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Groeneweg
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2003
32-359/436.
Verzonden: 10 juli 2003
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,