ECLI:NL:RVS:2003:AI0590

Raad van State

Datum uitspraak
30 juli 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200302106/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • W. van den Brink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 WWMArt. 7 WWM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapen en munitie

Appellant verzocht om verlof voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie, met het argument dat hij zichzelf en zijn bezittingen wilde beschermen. De Korpschef van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond weigerde dit verlof, waarna de Minister van Justitie het administratief beroep ongegrond verklaarde. De rechtbank Rotterdam bevestigde deze beslissing in maart 2003.

In hoger beroep bij de Raad van State heeft appellant zijn standpunt herhaald, maar de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat zelfverdediging slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden een redelijk belang vormt voor het verlenen van verlof. Een algemeen gevoel van onveiligheid en de wens tot bescherming tegen criminaliteit voldoen hier niet aan. Daarnaast speelde de psychische gesteldheid van appellant een rol bij de afwijzing.

De Raad van State vond geen onjuiste toepassing van de relevante wetsartikelen en bevestigde het oordeel van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van verlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie wordt bevestigd.

Uitspraak

200302106/1.
Datum uitspraak: 30 juli 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats]
tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 6 maart 2003 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 26 november 2001 heeft de Korpschef van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond appellant meegedeeld dat hem geen verlof wordt verleend tot het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.
Bij besluit van 8 april 2002 heeft de Minister van Justitie (hierna: de minister) het daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 maart 2003, verzonden op 7 maart 2003, heeft de rechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 april 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 juli 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 12 juni 2003 heeft de minister van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juli 2003, waar appellant in persoon en de minister, vertegenwoordigd door mr. N. Romijn, ambtenaar van het ministerie, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellant is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en herhaalt in hoger beroep zijn betoog dat hij een vuurwapen nodig heeft om zichzelf en zijn bezittingen te beschermen. Dit betoog treft geen doel.
2.2. De minister heeft, bij zijn beslissing op het administratief beroep, onder verwijzing naar artikel 28, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet wapens en munitie (hierna: de WWM) en onderdeel B/4.2.11 van de Circulaire wapens en munitie (hierna: de Circulaire) overwogen dat zelfverdediging slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan worden aangemerkt als een redelijk belang dat de verlening van een verlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen rechtvaardigt. Een gevoel van onveiligheid en de wens zichzelf en zijn bezittingen tegen criminaliteit te beschermen, zoals door appellant gesteld, kan volgens de minister niet worden aangemerkt als een zeer uitzonderlijke omstandigheid, als hiervoor bedoeld. De minister heeft daar, onder verwijzing naar artikel 28, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWM en artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de WWM in samenhang met onderdeel B/4.3 van de Circulaire, nog aan toegevoegd dat gezien de uit de gedingstukken blijkende psychische gesteldheid van appellant het niet verantwoord is om hem een wapen toe te vertrouwen. De minister heeft aldus, naar het oordeel van de Afdeling, geen onjuiste toepassing gegeven aan artikel 28, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWM. Er is derhalve geen grond voor het oordeel dat de minister het verlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie aan appellant ten onrechte heeft geweigerd. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink w.g. Zwemstra
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2003
367.