ECLI:NL:RVS:2003:AI0983
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- Th.G. Drupsteen
- P.J.J. van Buuren
- Ch.W. Mouton
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vergunning milieubeheer wegens onvoldoende motivering geluid- en geurvoorschriften
Bij besluit van 2 augustus 2002 verleende het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant een milieuvergunning aan een vergunninghoudster voor een inrichting voor afvalopslag en -bewerking. Appellanten, omwonenden, stelden beroep in tegen dit besluit, met klachten over onder meer geluidhinder, geurhinder, natuurverstoring en de kwaliteit van ingediende rapporten.
De Raad van State oordeelde dat het beroep deels ontvankelijk was. De klachten over geluidhinder werden beoordeeld aan de hand van de vastgestelde geluidzone en het akoestisch rapport. De vergunninghouder had geluidgrenswaarden gesteld die binnen de wettelijke normen bleken te blijven, en de Raad vond dat de geluidmetingen representatief waren. Wel werd geoordeeld dat de uitzonderingsregeling voor nachtwerk (voorschrift 1.1.2) onzorgvuldig was geformuleerd en niet beperkt was tot calamiteiten, wat strijdig was met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Ten aanzien van geurhinder concludeerde de Raad dat de motivering onvoldoende was, omdat het beschermingsniveau niet duidelijk was vastgesteld en de voorschriften niet eenduidig waren gemotiveerd. Andere klachten, zoals over natuur en landschap, werden afgewezen omdat die primair onder planologische regelgeving vallen. Het besluit werd daarom gedeeltelijk vernietigd en het college opgedragen binnen 13 weken een nieuw besluit te nemen dat aan de motiveringsvereisten voldoet.
Uitkomst: Het besluit tot vergunningverlening wordt deels vernietigd wegens onvoldoende motivering en onzorgvuldige uitzonderingsregeling.