ECLI:NL:RVS:2003:AI1231

Raad van State

Datum uitspraak
20 augustus 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200204713/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • P. van Dijk
  • J.H.B. van der Meer
  • H. Troostwijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 49 WROArt. 6:15 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verzoek schadevergoeding WRO door gemeente Eindhoven

Appellant verzocht de raad van de gemeente Eindhoven om vergoeding van schade op grond van artikel 49 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Dit verzoek werd bij besluit van 13 juni 2000 afgewezen. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, waarop de raad bij besluit van 17 december 2001 op het bezwaar besliste. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar en tegen de inhoudelijke beslissing.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk, maar verklaarde het beroep tegen de inhoudelijke beslissing gegrond en vernietigde het besluit op bezwaar. De rechtbank oordeelde tevens dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd was om te beslissen over bepaalde subonderdelen van het bezwaar, en dat het beroep daarop eveneens gegrond was.

In hoger beroep bij de Raad van State werd het standpunt van appellant dat de rechtbank niet op alle beroepsgronden was ingegaan verworpen. De Raad van State bevestigde dat de raad niet bevoegd was om over bepaalde subonderdelen te beslissen en dat deze doorverwezen hadden moeten worden. De Raad van State vond geen aanleiding tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200204713/1.
Datum uitspraak: 20 augustus 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 19 juli 2002 in het geding tussen:
appellant
en
de raad van de gemeente Eindhoven.
1. Procesverloop
Bij besluit van 13 juni 2000, verzonden op 17 juli 2000, heeft de raad van de gemeente Eindhoven (hierna: de raad) een verzoek van appellant om vergoeding van schade als bedoeld in artikel 49 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) afgewezen.
Bij brief van 11 augustus 2000 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 juni 2000.
Bij brief van 24 december 2000 heeft appellant beroep bij de rechtbank
's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
Bij besluit van 17 december 2001 heeft de raad, overeenkomstig het advies van 13 september 2001 van de commissie voor bezwaren en ombudszaken, op het bezwaar beslist.
Bij uitspraak van 19 juli 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar
niet-ontvankelijk verklaard, het beroep voor het overige gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 augustus 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 18 oktober 2002 heeft de raad van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2003, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. L.A. Sluiter, ambtenaar bij de gemeente, is verschenen. Appellant heeft de Afdeling bericht niet ter zitting aanwezig te zullen zijn.
2. Overwegingen
2.1. De rechtbank heeft het beroep, voorzover gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, en voorzover gericht tegen de weigering van een (plan)schadevergoeding gegrond verklaard, en voorts, voorzover de subonderdelen van onderdeel B van de beslissing op bezwaar moeten worden aangemerkt als een afwijzing van een verzoek om een zelfstandig schadebesluit, geoordeeld dat het college van burgemeester en wethouders het bevoegde orgaan is om daarover te beslissen en het beroep in zoverre eveneens gegrond verklaard.
2.2. Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft verzuimd om op zijn overige beroepsgronden, gericht tegen een aantal subonderdelen van onderdeel B van de beslissing op bezwaar, in te gaan slaagt dan ook niet. Omdat de raad niet bevoegd was in bezwaar te oordelen over de subonderdelen van onderdeel B, had de raad met toepassing van artikel 6:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het verzoek moeten doorsturen naar het college van burgemeester en wethouders. Dit oordeel van de rechtbank is juist.
2.3. Voorzover het hoger beroep zich tevens zou richten tegen de in rechtsoverweging 2.1. weergegeven oordelen van de rechtbank, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat die oordelen onjuist zijn. Er bestaat derhalve ook overigens geen aanleiding voor een vernietiging van de uitspraak.
2.4. Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.C.M. Ramsahai, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Dijk w.g. Ramsahai
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2003
-401.