ECLI:NL:RVS:2003:AI1419

Raad van State

Datum uitspraak
22 augustus 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200205698/3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • R.H. Lauwaars
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen bouwhoogte bestemmingsplan Zijdewinde te Puttershoek

De gemeenteraad van Binnenmaas stelde op 29 januari 2002 het bestemmingsplan Zijdewinde vast, waarin woningbouw op een voormalig bedrijfsterrein in Puttershoek mogelijk wordt gemaakt. Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland keurde dit plan op 27 augustus 2002 goed. Verzoekers, waaronder een vereniging tot behoud van natuur en landschap, maakten bezwaar tegen het deel van het plan dat een woontoren met een maximale bouwhoogte van 26 meter toestaat. Zij vreesden aantasting van cultuurhistorische en natuurlijke waarden.

Na eerdere afwijzing van hun verzoek om voorlopige voorziening op 4 april 2003, dienden verzoekers een nieuw verzoek in met aanvullende feiten en omstandigheden. Zij betwistten onder meer de stelling dat de welstandscommissie geen bezwaren had tegen de hoogbouw en dat er onderzoek was gedaan naar de behoefte aan seniorenwoningen. Tevens twijfelden zij aan de bevoegdheid van het besluit.

De Voorzitter stelde vast dat het bezwaar tegen de bevoegdheid was ingetrokken en dat het deskundigenbericht van 17 juli 2003 ernstige visuele verstoring door de hoogbouw concludeerde. Gezien de spoedige bodemprocedure (zitting gepland op 13 oktober 2003) werd het deel van het besluit dat de woontoren met 26 meter bouwhoogte toestaat geschorst om onomkeerbare gevolgen te voorkomen. De overige bezwaren werden niet verder besproken. Tevens werd het college van gedeputeerde staten veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht aan verzoekers vergoed.

Uitkomst: Het besluit tot goedkeuring van de woontoren met maximale bouwhoogte van 26 meter wordt geschorst.

Uitspraak

200205698/3.
Datum uitspraak: 22 augustus 2003.
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
de vereniging "Vereniging tot behoud van natuur, landschap en dorpsschoon in de Hoeksche Waard", gevestigd te Oud-Beijerland, e.a., verzoekers,
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 29 januari 2002 heeft de gemeenteraad van Binnenmaas het bestemmingsplan “Zijdewinde” vastgesteld.
Verweerder heeft bij zijn besluit van 27 augustus 2002, kenmerk DRGG/ARB/02/1377A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.
Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 25 oktober 2002, bij de Raad van State ingekomen op 28 oktober 2002, beroep ingesteld.
Bij brief van 25 oktober 2002, bij de Raad van State ingekomen op 28 oktober 2002, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij uitspraak van 4 april 2003 heeft de Voorzitter dit verzoek afgewezen.
Bij brief van 23 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2003, hebben verzoekers de Voorzitter wederom verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft laatstgenoemd verzoek ter zitting behandeld op 1 augustus 2003, waar verzoekers, vertegenwoordigd door mr. H.A. Sarolea, advocaat te Amsterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door ir. D.R. Kooistra en drs. J.G.M. Schouffoer, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn de gemeenteraad van Binnenmaas, vertegenwoordigd door C. Oversier, burgemeester, en M. de Korte, ambtenaar van de gemeente, en [partij], vertegenwoordigd door mr. H.J. Breeman, advocaat te Rotterdam, daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het bestemmingsplan beoogt in de kern Puttershoek woningbouw op een voormalig bedrijfsterrein aan de Zijdewinde mogelijk te maken.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.
2.3. Verzoekers kunnen zich met het bestreden besluit niet verenigen voorzover dit de bouw van een woontoren met een maximale bouwhoogte van 26 meter mogelijk maakt. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat een dergelijk gebouw de cultuurhistorische en natuurlijke waarden van de omgeving zal aantasten. Zij verzoeken in zoverre wederom schorsing van het bestreden besluit, omdat zich volgens hen na de zitting van 6 maart 2003, die heeft geleid tot de uitspraak van de Voorzitter van 4 april 2003, feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die het treffen van een voorlopige voorziening thans rechtvaardigen. Verzoekers hebben in dit verband stukken overgelegd waaruit naar hun mening blijkt dat het door de gemeenteraad op de zitting van 6 maart 2003 naar voren gebrachte argument dat de welstandscommissie geen bezwaren meer heeft tegen de hoogbouw onjuist is. Daarnaast betwisten verzoekers dat onderzoek is verricht naar de behoefte aan seniorenwoningen in de gemeente Binnenmaas en dat de appartementen in de woontoren uitsluitend beschikbaar zijn voor senioren, zoals door de gemeenteraad eveneens op die zitting is gesteld. Voorts betwijfelen zij of het bestreden besluit bevoegd is genomen. Tot slot wijzen verzoekers op het in de bodemprocedure uitgebrachte deskundigenbericht.
2.4. Verweerder acht het plan in zoverre niet strijdig met een goede ruimtelijke ordening en is van mening dat de door verzoekers naar voren gebrachte feiten en omstandigheden geen aanleiding vormen het verzoek om schorsing thans toe te wijzen.
2.5. De Voorzitter stelt allereerst vast dat verzoekers hun bezwaar dat het bestreden besluit onbevoegd zou zijn genomen ter zitting hebben ingetrokken. Overigens is de Voorzitter niet gebleken van een onbevoegd genomen besluit.
2.6. Voorts stelt de Voorzitter vast dat de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak op 17 juli 2003 in de bodemprocedure een deskundigenbericht heeft uitgebracht. In dit rapport wordt onder meer geconcludeerd dat de voorziene hoogbouw door zijn grootschaligheid zal leiden tot een visuele verstoring van zowel de historische kern als het landschap ten oosten van Puttershoek, waardoor de belevingswaarden daarvan ernstig worden aangetast.
Tevens is gebleken dat de behandeling van de bodemprocedure binnen afzienbare termijn zal plaatsvinden, nu deze is geagendeerd voor de zitting van 13 oktober 2003.
Onder deze omstandigheden ziet de Voorzitter thans aanleiding het bestreden besluit te schorsen, voorzover het betreft het plandeel met de bestemming “Woongebouw 1”, voorzien van de aanduiding “maximale bouwhoogte 26 meter” teneinde onomkeerbare gevolgen in de tussenliggende periode te voorkomen.
Gelet op het voorgaande behoeven de overige bezwaren geen bespreking meer.
2.7. Verweerder dient op na te vermelden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 27 augustus 2002, kenmerk DRGG/ARB/02/1377A, voorzover het betreft het plandeel met de bestemming "Woongebouw 1", voorzien van de aanduiding “maximale bouwhoogte 26 meter”;
II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland in de door verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Zuid-Holland te worden betaald aan verzoekers;
III. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. R.H. Lauwaars, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.
w.g. Lauwaars w.g. Klein
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2003.
176-363.