ECLI:NL:RVS:2003:AI1792

Raad van State

Datum uitspraak
3 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200301249/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1.3a van het bestemmingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vernietiging bouwvergunning uitbreiding herstelinrichting motorvoertuigen

Appellant, het college van burgemeester en wethouders van Amerongen, verleende op 20 maart 2001 een bouwvergunning en vrijstelling voor de uitbreiding van een herstelinrichting voor motorvoertuigen op een perceel te [plaats]. Tegen dit besluit maakte [verzoeker] bezwaar, dat door appellant ongegrond werd verklaard. De rechtbank Utrecht vernietigde vervolgens het besluit op bezwaar en verklaarde het beroep van [verzoeker] gegrond.

Appellant stelde in hoger beroep dat de uitbreiding als een zelfstandig onderdeel van het bedrijf kon worden aangemerkt en dat daarvoor een vrijstelling op grond van een lagere milieucategorie (categorie 3) van toepassing was. De Raad van State oordeelde dat de uitbreiding functioneel en bouwkundig deel uitmaakt van het bestaande bedrijf dat onder categorie 4 valt, en dat de lagere categorie niet van toepassing is.

De Raad van State verwierp het beroep van appellant en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de bouwvergunning terecht was vernietigd omdat de vrijstellingsbevoegdheid niet kon worden toegepast. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd op 3 september 2003 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de vernietiging van de bouwvergunning omdat de uitbreiding onder milieucategorie 4 valt en geen vrijstelling kan worden verleend.

Uitspraak

200301249/1.
Datum uitspraak: 3 september 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Amerongen,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 14 januari 2003 in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 20 maart 2001 heeft appellant aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de uitbreiding van een herstelinrichting voor motorvoertuigen op het perceel Koningin [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 6 november 2001 heeft appellant het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 20 maart 2001, onder aanvulling van de motivering, gehandhaafd.
Bij uitspraak van 14 januari 2003, verzonden op 15 januari 2003, heeft de rechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 21 februari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 24 februari 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 7 april 2003 heeft [verzoeker] van antwoord gediend.
[vergunninghoudster] heeft bij brief van 18 april 2003 een reactie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juli 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. M. van Hal-Scheffer, advocaat te Utrecht, en [verzoeker] in persoon, bijgestaan door mr. J.A. Wols, gemachtigde, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het perceel is ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Bedrijventerrein” bestemd voor “Bedrijven”. Voor wat betreft de relevante planvoorschriften wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.
2.2. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de uitbreiding van de herstelinrichting als een zelfstandig onderdeel van het bedrijf kan worden aangemerkt, op welk onderdeel categorie 3 van de van het bestemmingsplan deel uitmakende Staat van inrichtingen van toepassing is en dat daarvoor vrijstelling, als bedoeld in artikel 2.1.3a van de voorschriften kan worden verleend.
2.3. Dit betoog faalt. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank – en de overwegingen die aan dit oordeel ten grondslag liggen – dat, nu het een uitbreiding betreft van een bedrijf waarop categorie 4 van de Staat van inrichtingen van toepassing is, op deze uitbreiding dezelfde categorie (4) van toepassing is. Ook de Afdeling is van oordeel dat de uitbreiding in functioneel en bouwkundig opzicht deel uitmaakt van het bestaande (garage)bedrijf. De omstandigheid dat in het bedrijfspand te onderscheiden bedrijfsactiviteiten plaatsvinden, doet daaraan niet af.
2.3.1. Appellant heeft nog een beroep gedaan op de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2002, inzake nr. 200201191/1. Dit beroep faalt, reeds omdat de omschrijving van een niet-zelfstandig onderdeel van het daar gevestigde bedrijf door de Afdeling is gegeven in het kader van de vraag of de detailhandelsactiviteiten als ondergeschikte activiteiten van de ter plaatse toegestane handels- en bedrijfsactiviteiten kunnen worden aangemerkt. Deze situatie doet zich hier niet voor.
2.4. Het oordeel van de rechtbank dat appellant geen toepassing heeft kunnen geven aan de in artikel 2.1.3a neergelegde vrijstellingsbevoegdheid, is juist. De rechtbank heeft derhalve de op grond daarvan verleende, in bezwaar gehandhaafde, bouwvergunning terecht vernietigd.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.
w.g. Zwart w.g. Van Roosmalen
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2003
53-412.