ECLI:NL:RVS:2003:AJ3275

Raad van State

Datum uitspraak
10 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200204332/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing schadevergoeding verzoeken inzake standplaatsen en fotograferen

Het college van burgemeester en wethouders van Nieuw-Lekkerland heeft meerdere verzoeken van appellant om schadevergoeding afgewezen of buiten behandeling gesteld. Deze verzoeken hadden betrekking op het innemen van standplaatsen op verschillende locaties en het fotograferen in de jaren 1995 tot en met 1999.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond voor enkele verzoeken over 1999 en vernietigde de besluiten van het college, met de opdracht een nieuw besluit te nemen. Het college wees daarop het verzoek over 1999 opnieuw af. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij schade had geleden over de jaren 1995 tot en met 1998, mede omdat hij geen gebruik had gemaakt van verleende vergunningen en geen investeringen had gedaan. Daarom waren de verzoeken terecht afgewezen. Ook het besluit over 1999 kon in stand blijven. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De Afdeling sprak het vonnis uit in het openbaar op 10 september 2003.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarbij de verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen.

Uitspraak

200204332/1.
Datum uitspraak: 10 september 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Dordrecht van 28 juni 2002 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Nieuw-Lekkerland.
1. Procesverloop
Bij besluit van 25 april 2000, kenmerk 99/1820, heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuw-Lekkerland (hierna: het college) het verzoek van appellant om schadevergoeding inzake zogenoemd "locatie bezoekersmolen" buiten behandeling gesteld.
Bij besluit van 25 april 2000, kenmerk 2000/77, heeft het college het verzoek van appellant om schadevergoeding inzake zogenoemd "locatie tegenover Molenexpositieruimte" buiten behandeling gesteld.
Bij besluit van 25 april 2000, kenmerk 2000/291, heeft het college het verzoek van appellant om schadevergoeding inzake zogenoemd "fotograferen" afgewezen voorzover dat betrekking heeft op de jaren 1995 tot en met 1998, en buiten behandeling gesteld voorzover dat betrekking heeft op het jaar 1999.
Bij besluit van 24 oktober 2000 heeft het college de daartegen door appellant gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 juni 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Dordrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard voorzover het is gericht tegen de beslissingen inzake de verzoeken om schadevergoeding, zogenoemd “locaties Bezoekersmolen”, “locatie tegenover Molenexpositiecentrum”, alsmede “fotograferen” over het jaar 1999, in zoverre het besluit op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college terzake een nieuw besluit neemt, en overigens het beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 augustus 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 september 2002. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 13 februari 2003 heeft het college van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2003, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. P.M.D. Weijers, advocaat te Alblasserdam, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat hij over de jaren 1995 tot en met 1998 schade heeft geleden doordat het college de door hem verzochte vergunningen om een standplaats in te nemen om te fotograferen niet heeft verleend, faalt. Appellant heeft slechts gesteld dat hij schade heeft geleden doch op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is. Daarbij neemt de Afdeling mede in aanmerking dat appellant, voorzover het college hem wel vergunning heeft verleend voor het innemen van een standplaats, daarvan om hem moverende redenen geen gebruik heeft gemaakt. Voorts is komen vast te staan dat hij ten behoeve van het innemen van een standplaats geen investeringen heeft gedaan. De verzoeken om schadevergoeding, genoemd “fotograferen” over de jaren 1995 tot en met 1998 zijn derhalve terecht door het college afgewezen. De rechtbank is, zij het op andere gronden, tot dezelfde slotsom gekomen.
2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak, voorzover aangevallen, dient, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.
2.3. Gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, heeft het college bij besluit van 19 september 2002 de verzoeken om schadevergoeding met betrekking tot het jaar 1999 afgewezen. Ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, staat het besluit van 19 september 2002 thans mede ter beoordeling van de Afdeling. Terzake van dit besluit overweegt de Afdeling dat het in stand kan blijven op dezelfde gronden als hiervoor onder 2.1. genoemd. Het beroep tegen het besluit van 19 september 2002 is derhalve ongegrond.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van 19 september 2002 ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink w.g. De Leeuw-van Zanten
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2003
91-395.