ECLI:NL:RVS:2003:AJ3345

Raad van State

Datum uitspraak
4 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200305219/1 en 200305219/2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • W. van den Brink
  • E.D. Boer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 10 WroArt. 33, eerste lid WroArt. 44 Woningwet
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bouwvergunning tuinbouwkas ondanks verouderd bestemmingsplan

Het college van burgemeester en wethouders van Venlo verleende op 10 december 2002 een bouwvergunning voor de bouw van een tuinbouwkas op een perceel in Venlo. Appellanten, de stichting Het Limburgs Landschap en de stichting Milieufederatie Limburg, maakten bezwaar tegen deze vergunning en voerden aan dat het bestemmingsplan verouderd was en niet in overeenstemming met het huidige ruimtelijk beleid. De voorzieningenrechter verklaarde de beroepen ongegrond, waarna appellanten hoger beroep instelden bij de Raad van State.

De Raad van State overwoog dat de termijn van tien jaar genoemd in artikel 33 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening een termijn van orde is zonder gevolgen voor de rechtskracht van het bestemmingsplan. Verder was niet in geschil dat het bouwplan in overeenstemming was met het bestemmingsplan. Ook het betoog dat een Flora- en faunawetvergunning vereist zou zijn, werd verworpen vanwege het limitatief-imperatieve karakter van artikel 44 van Pro de Woningwet zoals dat tot 1 januari 2003 gold.

De Raad van State concludeerde dat de voorzieningenrechter terecht de beroepen ongegrond had verklaard en dat geen aanleiding bestond voor het treffen van een voorlopige voorziening. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het verzoek tot voorlopige voorziening werd afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bouwvergunning blijft van kracht.

Uitspraak

200305219/1 en 200305219/2.
Datum uitspraak: 4 september 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het hoger beroep van:
de stichting "Het Limburgs Landschap" en de stichting "Milieufederatie Limburg", gevestigd te Maastricht,
appellanten,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Roermond van 10 juli 2003 in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van Venlo.
1. Procesverloop
Bij besluit van 10 december 2002, verzonden op 6 januari 2003, heeft het college van burgemeester en wethouders van Venlo (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor de bouw van een tuinbouwkas op het perceel, kadastraal bekend gemeente Venlo, sectie […], nummer […], gelegen aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
Bij afzonderlijke besluiten van 31 maart 2003 heeft het college vastgesteld dat voorafgaand aan de verzending van het besluit van 10 december 2003 reeds van rechtswege bouwvergunning was verleend, de door appellanten tegen het besluit van 10 december 2003 gemaakte bezwaren aangemerkt als te zijn gericht tegen deze van rechtswege verleende vergunning en deze bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 juli 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Roermond (hierna: de voorzieningenrechter) de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 6 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 7 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 6 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 7 augustus 2003, hebben appellanten de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 augustus 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. J.M.E. Kessels, advocaat te Venlo, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.P.W. Killaars, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is als partij gehoord vergunninghouder, vertegenwoordigd door [gemachtigden].
2. Overwegingen
2.1. Appellanten betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het als bestemmingsplan aan te merken “Uitbreidingsplan in hoofdzaken”, voor zover het de realisering van het voorliggende bouwplan mogelijk maakt, onverbindend is. Zij voeren daartoe aan dat dit bestemmingsplan sterk is verouderd en niet in overeenstemming is met het huidige rijks-, provinciaal - en gemeentelijk ruimtelijk beleid voor het betrokken gebied en om die reden in strijd is met artikel 10 en Pro artikel 33, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.
2.2. Dit betoog faalt. De in artikel 33, eerste lid, genoemde termijn van tien jaren is een termijn van orde, waaraan geen gevolgen zijn verbonden voor de rechtskracht van het bestemmingsplan. Voorts is het enkele feit dat het bestemmingsplan, naar gesteld, niet in overeenstemming is met het ruimtelijk beleid, zoals dat thans luidt, onvoldoende voor het oordeel dat het plan in zijn geheel dan wel gedeeltelijk wegens strijd met voormeld artikel 10 verbindende Pro kracht moet worden ontzegd.
2.3. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in overeenstemming is met genoemd bestemmingsplan. Gelet hierop en gezien de datum van indiening van de aanvraag om bouwvergunning, heeft het college in zijn besluiten van 31 maart 2003 terecht aangenomen dat op 6 januari 2003, zijnde de datum van verzending van het besluit van 10 december 2000, voor het bouwplan reeds ingevolge artikel 46, vierde lid, van de Woningwet van rechtswege bouwvergunning was verleend.
2.4. Appellanten betogen voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college bij zijn besluiten van 31 maart 2003 de bouwvergunning alsnog had moeten weigeren, omdat in verband met de realisering van het bouwplan mogelijk ook krachtens de Flora- en faunawet vergunning, vrijstelling of ontheffing is vereist.
2.5. Gelet op artikel 44 van Pro de Woningwet, zoals dat tot 1 januari 2003 luidde, en het limitatief-imperatieve karakter van deze bepaling, faalt dit betoog evenzeer. De door appellanten aangehaalde uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling van 22 februari 1994 in zaak no. S03.93.5340 (gepubliceerd in M en R 1995, 87) leidt niet tot een ander oordeel.
2.6. Gezien het vorenstaande, leidt hetgeen appellanten hebben aangevoerd niet tot het oordeel dat de voorzieningenrechter de beroepen tegen de besluiten van 31 maart 2003 ten onrechte ongegrond heeft verklaard.
2.7. De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.9. Gelet hierop, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink w.g. Boer
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2003
201.