ECLI:NL:RVS:2003:AK4061

Raad van State

Datum uitspraak
17 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200301400/1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen medewerking woningbouw op percelen Gilze en Rijen

Het college van burgemeester en wethouders van Gilze en Rijen weigerde medewerking aan woningbouw op bepaalde percelen en verklaarde het bezwaar van appellanten ongegrond. De rechtbank Breda vernietigde dit besluit gedeeltelijk en verklaarde het beroep gegrond. Appellanten stelden daarop hoger beroep in bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de brief van appellanten geen aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht betreft en dat het college geen besluit tot weigering van vrijstelling heeft genomen. Hierdoor konden appellanten geen bezwaar maken tegen een besluit dat niet bestond. De rechtbank heeft dit miskend door het beroep gegrond te verklaren.

De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college, en verklaart de bezwaren van appellanten niet-ontvankelijk. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellanten vergoed. Er is geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De bezwaren van appellanten worden niet-ontvankelijk verklaard omdat geen besluit in de zin van de Awb is genomen.

Uitspraak

200301400/1.
Datum uitspraak: 17 september 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Breda van 21 januari 2003 in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van Gilze en Rijen.
1. Procesverloop
Bij brief van 10 augustus 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gilze en Rijen (hierna: het college) appellanten meegedeeld geen medewerking te verlenen aan woningbouw op de percelen [locaties] te [plaats] (hierna: de percelen).
Bij besluit van 31 januari 2002 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 januari 2003, verzonden op 27 januari 2003, heeft de rechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep, voorzover ingesteld door [naam] gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar inzoverre vernietigd en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van dat besluit voorzover vernietigd, en voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 3 maart 2003, bij de Raad van State ingekomen op 5 maart 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 maart 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 24 april 2003 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2003, waar appellanten in persoon, en het college, vertegenwoordigd door A.A.M. van de Groes, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De Afdeling stelt voorop dat de rechter ambtshalve de vraag dient te beantwoorden of tegen een beslissing van een bestuursorgaan bezwaar en beroep openstaat.
2.2. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van die wet, dient een belanghebbende alvorens hij beroep kan instellen tegen een besluit, daartegen bezwaar te maken.
Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen.
2.3. Bij brief van 8 maart 2001 hebben appellanten het college verzocht een principe-uitspraak te doen over een eerder afgewezen bouwaanvraag voor een woning op één van hun percelen alsmede over de mogelijkheden om op deze percelen in de toekomst drie woningen te bouwen. Met de brief van 10 augustus 2001 heeft het college gehoor gegeven aan dit verzoek.
Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, kan de brief van 8 maart 2001 niet worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van voormeld artikel 1:3, derde lid. Gelet op de bewoordingen ervan is daarmee niet beoogd van het college een besluit als bedoeld in het eerste lid van dat artikel te verkrijgen. Nu daaraan geen aanvraag ten grondslag ligt, kan de brief van 10 augustus 2001 niet als een besluit tot het weigeren van vrijstelling worden aangemerkt. Daartegen kon derhalve geen bezwaar worden gemaakt. Gelet hierop had het college de bezwaren van appellanten niet-ontvankelijk moeten verklaren. De rechtbank heeft dat miskend.
2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd evenals de beslissing op bezwaar. De Afdeling zal, zelf voorziende, de bezwaren van appellanten alsnog niet-ontvankelijk verklaren.
2.5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Breda van 21 januari 2003, 02/321 WRO 19;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gilze en Rijen van 31 januari 2002, CBB/B01.070b;
V. verklaart de bezwaren van appellanten niet-ontvankelijk;
VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
VII. gelast dat de gemeente Gilze en Rijen aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht (€ 274,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.
w.g. Bijloos w.g. Lodder
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2003
17-412.