ECLI:NL:RVS:2003:AL1500

Raad van State

Datum uitspraak
24 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200301374/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • P. van Dijk
  • P.M.M. de Leeuw-van Zanten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:74 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij weigering Amerikaanse kentekenplaat

Appellant had een mondeling verzoek ingediend bij de Dienst Wegverkeer om toestemming voor het voeren van een kentekenplaat van het type 18.2 (Amerikaanse kentekenplaat) aan de achterzijde van zijn voertuig. Dit verzoek werd mondeling afgewezen. Vervolgens verklaarde de Dienst Wegverkeer het bezwaar tegen deze afwijzing ongegrond. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van enig procesbelang.

Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel degelijk procesbelang had, mede vanwege gemaakte stallings- en verzekeringskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht. De Raad van State oordeelde dat appellant geen procesbelang meer had omdat hij inmiddels in aanmerking kwam voor een historische kentekenplaat en geen behoefte meer had aan de Amerikaanse kentekenplaat. De gemaakte kosten stonden los van het verzoek en appellant had deze ook zonder procedure gemaakt.

De vordering tot vergoeding van het griffierecht kon niet leiden tot een ander oordeel over het procesbelang. De rechtbank was bevoegd een vergoeding toe te kennen, maar zag daar geen aanleiding toe. De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt bevestigd wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

200301374/1.
Datum uitspraak: 24 september 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 23 januari 2003 in het geding tussen:
appellant
en
de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer.
1. Procesverloop
Op een onbekende datum heeft de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer (hierna: de Dienst Wegverkeer) het mondelinge verzoek van appellant om toestemming voor het voeren van een kentekenplaat van het type 18.2 aan de achterzijde van een voertuig met het kenteken […] mondeling afgewezen.
Bij besluit van 10 augustus 2001 heeft de Dienst Wegverkeer het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 januari 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 28 februari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 maart 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 24 april 2003 heeft de Dienst Wegverkeer van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 augustus 2003, waar appellant in persoon, en de Dienst Wegverkeer, vertegenwoordigd door mr. M.E. van Motman, ambtenaar bij de Dienst Wegverkeer, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ter beoordeling staat de vraag of de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het beroep van appellant niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van enig procesbelang.
2.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant geen procesbelang meer heeft, omdat inmiddels is gebleken dat hij in aanmerking komt voor een zogenoemde historische kentekenplaat en heeft aangegeven geen behoefte meer te hebben aan de door hem aangevraagde kentekenplaat van het type 18.2 (de zogenoemde Amerikaanse kentekenplaat).
2.3. In de door appellant geclaimde vergoeding van gemaakte stallings- en verzekeringskosten heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om procesbelang aan te nemen, omdat deze kosten geen verband houden met het verzoek van appellant om kentekenplaten van het type 18.2. Appellant zou deze kosten ook zonder de onderhavige procedure hebben gemaakt. Het is immers de keuze van appellant geweest dat hij zijn voertuig laat stallen en dat hij zijn verzekering heeft laten doorlopen, alhoewel hij deze naar eigen zeggen eenvoudig tijdelijk had kunnen beëindigen.
2.4. Het betoog van appellant dat hij zijn bij de rechtbank betaalde griffierecht vergoed wil hebben door de Dienst Wegverkeer, kan evenmin leiden tot het oordeel dat de rechtbank hierin een procesbelang had moeten onderkennen. Een belang bij gegrondverklaring van het ingestelde beroep en bij vernietiging van het bestreden besluit kan niet uitsluitend zijn gelegen in het verkrijgen van een veroordeling tot vergoeding van het griffierecht. De rechtbank is immers op grond van artikel 8:74, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht ook bevoegd een zodanige veroordeling uit te spreken in andere gevallen dan die waarin het beroep gegrond is verklaard. De rechtbank heeft kennelijk geen aanleiding gezien om vergoeding van griffierecht te gelasten. Er is geen aanleiding om de aangevallen uitspraak in zoverre te vernietigen.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Dijk w.g. De Leeuw-van Zanten
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2003
91-450.