ECLI:NL:RVS:2003:AL1516

Raad van State

Datum uitspraak
24 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200302389/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22a Huursubsidiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering huursubsidie wegens late aanvraag zonder bijzondere omstandigheden

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer weigerde appellant huursubsidie toe te kennen voor het huursubsidiejaar 1 juli 2000 tot 30 juni 2001 vanwege een te late aanvraag die pas in mei 2001 werd ingediend. Appellant voerde aan dat de late indiening te wijten was aan drukke werkzaamheden in verband met een ingrijpende gebeurtenis uit de Tweede Wereldoorlog, maar dit werd niet als bijzondere omstandigheid erkend.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. Het beroep op een medische rapportage in het kader van een aanvullende aanvraag werd eveneens verworpen omdat hieruit niet bleek dat appellant fysiek of psychisch niet in staat was de aanvraag tijdig in te dienen.

De Raad van State oordeelde dat het betoog van appellant in hoger beroep een herhaling was van eerdere standpunten en geen aanleiding gaf tot een ander oordeel. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de weigering van huursubsidie bevestigd.

Uitspraak

200302389/1.
Datum uitspraak: 24 september 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Zwolle van 26 februari 2003 in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
1. Procesverloop
Bij besluit van 18 juli 2001 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Staatssecretaris) geweigerd appellant huursubsidie op grond van de Huursubsidiewet te verstrekken voor het huursubsidiejaar van 1 juli 2000 tot en met 30 juni 2001.
Bij besluit van 12 juni 2002 heeft de Staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor de periode van 1 juni 2001 tot 1 juli 2001 en voor het overige ongegrond.
Bij uitspraak van 26 februari 2003, verzonden op 5 maart 2003, heeft de rechtbank te Zwolle (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 13 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 15 april 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 2 juni 2003 heeft de Staatssecretaris van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 september 2003, waar appellant in persoon en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.C.A. Stevens, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Niet in geschil is dat de vervolgaanvraag van appellant om huursubsidie voor het tijdvak van 1 juli 2000 tot 1 juli 2001 pas in mei 2001 is ingediend.
De Staatssecretaris heeft de door appellant gegeven reden voor die late indiening – drukke werkzaamheden in verband met onderzoek naar een voor appellant zeer ingrijpende gebeurtenis in de Tweede Wereldoorlog – terecht niet als een bijzondere omstandigheid aangemerkt als bedoeld in het beleid, dat de Staatssecretaris toepast in het kader van artikel 22a, van de Huursubsidiewet.
Het oordeel van de rechtbank dat, gelet hierop, de Staatssecretaris terecht geen aanleiding heeft gezien appellant niettemin over het gehele tijdvak van 1 juli 2000 tot 1 juli 2001 huursubsidie toe te kennen, is juist.
2.2. Voorzover appellant ter zitting zijn beroep op de medische rapportage inzake zijn – aanvullende – aanvraag in het kader van de WUBO heeft herhaald, moet dit beroep falen, nu uit deze medische rapportage niet blijkt dat appellant fysiek of psychisch niet in staat zou zijn geweest de vervolgaanvraag voor het in geding zijnde huursubsidietijdvak vóór mei 2001 in te dienen
2.3. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt een herhaling van zijn betoog in beroep en kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden dan dat waartoe de rechtbank is gekomen.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.
w.g. Bijloos w.g. Wolff
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2003
238.