ECLI:NL:RVS:2003:AL1519

Raad van State

Datum uitspraak
24 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200302935/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 Wet op de Raad van StateArt. 18 BeroepswetAfdeling 8.2.6 Algemene wet bestuursrechtArtikel 1 Ambtenarenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdverklaring Raad van State in hoger beroep vergoeding medische kosten militair

Appellant verzocht de Staatssecretaris van Defensie om vergoeding van kosten voor geneeskundige behandeling van zijn broer, een militair die psychisch letsel opliep tijdens zijn dienst. De Staatssecretaris wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onderzocht haar bevoegdheid en concludeerde dat volgens de toepasselijke regelgeving de Centrale Raad van Beroep exclusief bevoegd is voor hoger beroep in deze zaak, omdat het een geschil betreft waarbij een ambtenaar als zodanig belanghebbende is.

Daarom verklaarde de Raad van State zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en stelde het beroepschrift ter verdere behandeling over aan de Centrale Raad van Beroep. Er werden geen proceskosten toegekend.

De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer en uitgesproken in het openbaar op 24 september 2003.

Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd en verwijst het hoger beroep naar de Centrale Raad van Beroep.

Uitspraak

200302935/1.
Datum uitspraak: 24 september 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Maastricht van 27 maart 2003 in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Defensie.
1. Procesverloop
Bij brief van 20 maart 2002 heeft de Staatssecretaris van Defensie (hierna: de Staatssecretaris) het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten voor de geneeskundige behandeling en verzorging, verbonden aan de behandeling van zijn [broer], in het centrum Sint Norbertus te Duffel, België, afgewezen.
Bij besluit van 18 juni 2002 heeft de Staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 27 maart 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 7 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 12 mei 2003, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 27 augustus 2003 heeft appellant de gronden van zijn beroep aangevuld. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 28 mei 2003 heeft de Staatssecretaris van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 september 2003, waar appellant in persoon is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, voorzover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), tenzij tegen de uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet, voorzover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Centrale Raad van Beroep hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Awb, inzake:
a. een besluit of een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van Pro de Ambtenarenwet als zodanig belanghebbende is.
2.2. Vast staat dat de broer van appellant namens wie appellant stelt in deze procedure op te treden, tijdens de uitoefening van de militaire dienst op 2 juli 1964 een ongeval is overkomen als gevolg waarvan hij psychisch letsel heeft opgelopen. In dat kader is de broer een militair invaliditeitspensioen toegekend op basis van een invaliditeit van 100%; bovenop dat pensioen is hem een bijzondere invaliditeitsverhoging van 40% toegekend.
De broer verblijft sinds 18 november 2000 voor de behandeling van het destijds opgelopen psychisch letsel in het Centrum Sint Norbertus te Duffel, België. Appellant heeft, beweerdelijk namens de broer, verzocht om vergoeding van de kosten die zijn verbonden aan de behandeling van de broer in genoemd centrum, te rekenen vanaf 18 november 2000 en voor zolang de behandeling zal duren.
2.3. Gelet op de regelgeving die in de brief van 20 maart 2002 van toepassing is geacht, is de Centrale Raad van Beroep bij uitsluiting de rechterlijke instantie die bevoegd is in hoger beroep van het onderhavige geschil kennis te nemen, hetgeen blijkens ambtelijk door de Afdeling bij de Centrale Raad van Beroep ingewonnen inlichtingen is bevestigd.
2.4. De Afdeling is derhalve niet bevoegd dit hoger beroep te behandelen en zal het hoger beroepschrift ter verdere behandeling in handen stellen van de Centrale Raad van Beroep.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart zich onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen;
II. stelt het hoger beroepschrift ter verdere behandeling in handen van de Centrale Raad van Beroep.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.
w.g. Bijloos w.g. Wolff
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2003
238.