AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling belanghebbende bij wijziging subsidieverlening Doorstroomas Hengelo CS-Vossebelt
De Minister van Verkeer en Waterstaat wijzigde op 8 mei 2001 zijn eerdere subsidiebesluit voor de aanleg van de Doorstroomas Hengelo CS-Vossebelt. Stichting (h)Eerlijk Hengelo stelde bezwaar tegen deze wijziging, dat niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank Almelo verklaarde het beroep van de stichting ongegrond. De stichting stelde daarop hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of de stichting als belanghebbende kon worden aangemerkt bij het wijzigingsbesluit. De stichting stelde dat zij haar statutaire doelstellingen, waaronder het toetsen van verkeersbeleid en het bevorderen van openbaar vervoer en verkeersveiligheid in Hengelo, in het geding zag.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het belang van de stichting te algemeen en onvoldoende specifiek was om als belanghebbende te worden erkend. Het streven naar controle op subsidiëring en verkeersbeleid, hoewel gericht op de regio Hengelo, was niet concreet genoeg om het rechtstreekse belang te onderbouwen. Daarmee werd het oordeel van de rechtbank bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 1 oktober 2003 in het openbaar uitgesproken door de enkelvoudige kamer van de Raad van State.
Uitkomst: Het hoger beroep van Stichting (h)Eerlijk Hengelo wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
200206916/1.
Datum uitspraak: 1 oktober 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de stichting "Stichting (h)Eerlijk Hengelo”, gevestigd te Hengelo,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank te Almelo van 19 november 2002 in het geding tussen:
appellante
en
de Minister van Verkeer en Waterstaat.
1. Procesverloop
Bij besluit van 8 mei 2001 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) zijn besluit van 25 november 1998 waarbij subsidie is verleend ten behoeve van de aanleg van de Doorstroomas Hengelo CS-Vossebelt te Hengelo, gewijzigd.
Bij besluit van 23 april 2002 heeft de Minister, voor zover thans van belang, het daartegen door appellante gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 19 november 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 30 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 31 december 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 4 maart 2003 heeft de Minister van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juni 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door W. van Wensveen, secretaris van appellante, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. H.E. van der Voort-Cleyndert, ambtenaar bij het ministerie, zijn verschenen.
Voorts heeft namens het college van burgemeester en wethouders van Hengelo mr. H.E.M. Wolsink, ambtenaar van de gemeente, het woord gevoerd.
2. Overwegingen
2.1. In geschil is of appellante belanghebbende is bij het besluit tot wijziging van de subsidieverlening ten behoeve van de aanleg van de Doorstroomas Hengelo CS-Vossebelt te Hengelo.
2.2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtsreeks bij een besluit is betrokken.
Ingevolge artikel 1:2, derde lid, worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
2.3. Blijkens artikel 2 vanPro haar statuten stelt appellante zich ten doel:
a. het beoordelen en toetsen van het verkeers- en vervoersbeleid op effectiviteit en doelmatigheid;
b. het bevorderen van een adequaat systeem voor openbaar vervoer en infrastructuur voor fietsers;
c. het bevorderen van de veiligheid van verkeersdeelnemers en in het bijzonder toezien op de uitvoering van overheidsbeleid “Duurzaam Veilig”;
d. het beoordelen en toetsen van de besluitvorming, verkrijging, toekenning en besteding van Europese-, Rijks en andere subsidiemiddelen inzake a t/m c en als belanghebbende op te treden in bestuurlijke procedures ter zake;
e. (..);
f. (..).
2.4. Appellante heeft aangevoerd dat het haar om meer gaat dan een optimale financiële inzet van middelen. Zij streeft in het bijzonder naar goed en hoogwaardig openbaar vervoer tussen Hengelo en de Vinex-locatie Vossenbelt. Er is een samenhang tussen de verschillende geformuleerde doelstellingen, aldus appellante.
2.5. De Afdeling is van oordeel dat het streven naar controle op de verkrijging en de wijze van besteden van financiële middelen voor openbaar vervoer, infrastructuur en het beoordelen en toetsen van het verkeersbeleid van de overheid – welk streven in de vorm van de onderhavige procedure betreffende het wijzigingsbesluit naar de mening van appellante een uitdrukking vormt van haar statutaire doelstelling – op zichzelf een te algemene en niet voldoende specifieke doelstelling is, ondanks het feit dat appellante zich in dit streven beperkt tot de regio Hengelo. Derhalve kan niet worden geoordeeld dat appellante door het besluit van 8 mei 2001 wordt getroffen in een belang dat zij in het bijzonder behartigt.
Het oordeel van de rechtbank dat de Minister appellante terecht niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, van de Awb heeft aangemerkt omdat haar belang niet rechtstreeks bij genoemd besluit is betrokken, is derhalve juist.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.